Het zijn de opiaten

Het zijn de opiaten
die me niet meer loslaten
en de benzo’s en de en zo’s
de of zo’s en het denken aan
wat als ik met roken weer begin
of weer iets pakken ga: ritalin
of dex of erger en laat staan
de alcohol niet meer voor lief neem
maar minder dan te veel – hoe lame
te weinig vind, harde shit weer wil
godverdomme, geef me wat ik nodig heb
niet de schop onder m’n kont, de mep
die ik wel verdien, maar gewoon
de ‘vader’ tot zijn ‘zoon’ die zegt:
kappen nou, en zonder dat ‘ie overlegt
wat of dat het doen zal mij verplicht
dat ik iets slik, het stil wordt, al het licht
verdwijnt. Die ene spuit, die ene pil.

Vermagerd ligt daar op te witte lakens

Vermagerd ligt daar op te witte lakens
een meisje dat nog maar pas sinds lang
weer heeft geglimlacht. Er is minder
gezicht dat opgaat in haar krullendos.

Het kussen slokt haar hoofdje op. Tussen de
door het alsmaar huilen hard geworden lippen
persen zich alleen de hoogst noodzakelijke
woorden uit. Ze luistert. Zonder sjoege.

Ze heeft weer niet geslapen ’s nachts
en hoe vaker de verplegers ernaar vroegen
ze kon het toen en nu nog altijd niet verklaren
althans niet anders dan de echte oorzaak: één dader

die zich krom van schaamte naast haar heeft gezet.
Twee zwijgzamen, éénpersoonsbed, dat eens genoeg was
voor hen samen. Nu te groot om elkaar aan te raken en te klein
om wat hij zo grofweg omdonderde te krijgen rechtgezet.

Anders ik wel

Er lag vannacht toen ik nog niet sliep een jongen naast me in mijn bed. Of nou ja, een jongen. Mijn leeftijd, denk ik. Eerder een man.
‘Ben je wakker?’ vroeg ik.
‘Dat wel,’ zei hij.’ Hij had zich op z’n zij, gezicht naar mij gedraaid.
‘Wat nog meer dan?’ vroeg ik. Ik lag op mijn rug. Zo lig ik altijd graag als ik niet kan slapen. Niet dat ik op mijn rug kan slapen, maar als het toch niet lukt, lig ik liever zo. Dan klopt het.
‘Ik ben vooral jou.’ Ik dacht er over na.
‘Mij…’
‘Jij, ja. Ik ben wat jij zou zijn geworden. Wie je nu allang had kunnen zijn. Ik ben wat er van jou gekomen was, als je niet…’
‘Slechtziend geboren werd?’ Ik zocht in het donker naar mijn nachtlampje, zodat ik mijn bril op kon zetten. Ik wilde weleens zien hoe ik er vroeger later uit zou zien. Hij hing over me heen – hij rook vertrouwd – om het licht voor me aan te zetten, gaf me mijn bril en zei:
‘Kijk maar.’
‘Hoe weet ik dat je gelijk hebt?’ Oké, hij hád gelijk. Naast me in bed zat ik zonder bril, een veel kortere baard die duidelijk netjes bijgehouden werd en hij had een pyjama aan. Een zwarte met van die zachte stof waardoor het in het licht een beetje glinsterde.
‘Dat kun je niet weten. Ik ga mezelf niet overtuigen.’
‘Besta je echt of droom ik?’
‘Je bent wakker, Jelmer.’
‘Heet jij ook Jelmer?’
‘Het is wetenschappelijk bewezen dat een persoon zijn of haar naam verregaande gevolgen heeft voor de levensloop van die persoon en zijn of haar omgeving. Tot op de gekste vlakken en facetten.’
‘Nee dus.’
‘Ik zeg toch niet dat ik niet Jelmer heet?’ Hij klonk een beetje geërgerd.
‘Ik ben om mijn naam dan weer nooit echt gepest.’
‘Nee, maar je bent geen Joran die binnenkort naar het tweede middelbaar moet, zullen we maar zeggen.’
‘Hoe heet jij dan.’
‘Doet dat ertoe?’
‘Nee.’

Het viel stil. Hij pakte Beer, mijn oudste knuffel. Beer was al jaren met me meeverhuisd. Ik slaap sinds kort weer met Beer. Als ik alleen ben. Hij heet niet voor niks knuffelbeer.
‘Je hebt ’s nachts graag iets vast, wel?’ vroeg hij.
‘Jij niet dan?’ Hij zette Beer terug tegen de muur en gaf ’m nog een aai over z’n bol.
‘Het gaat niet om mij, Jelmer.’
‘Waar gaat het dan over? Wat kom je eigenlijk doen?’
‘Klopt het dat je je plant Harrie hebt genoemd?’
‘Wat heeft dat er nou weer…’
‘Klopt het?’ vroeg hij dringend.
‘Ja, Harrie heb ik vernoemd naar Harrie Jekkers. Hij heeft echt veel met me meegemaakt. Ik heb hem wel een keertje bijna laten doodgaan, maar hij zag mij ook al een paar keer slechter dan slecht gaan. Dan stond hij machteloos toe te kijken hoe ik mezelf tekort deed. Hij kreeg dan geen water, dus ik deed hem ook tekort.’
‘Je begint ongevraagd een heel verhaal over Harrie.’
‘Sorry, je hebt gelijk.’
‘Nee, Jelmer, dat vind ik mooi. Jij weet in wat voor anderen iets kleins, of máár een plant is, iets moois te zien. Iets wat je langs je eigen leven, herinneringen, goede of slechtere periodes kunt leggen en daarvan kun je dan weer zeggen “Kijk, dit hebben Harrie en ik samen meegemaakt”, je hebt toch ook die trachuspiercing?’
‘Al elf jaar of zo.’
‘Daar heb ik je hetzelfde over horen zeggen.’
‘Veel met me meegemaakt. Die gaat er niet meer uit.’

Stilte.

‘Je hebt veel dubieuze keuzes gemaakt, Jelmer.’
‘Weet ik.’
‘Ga je er niet tegen in?’
‘Waarom zou ik met mezelf in discussie gaan? Juist jij zou ook moeten weten dat dat me echt te ver gaat. Als jij mij zegt te zijn, weet je dat ik van mezelf toch nog het meeste aanneem. Soms als dat me het beste uitkomt, maar minstens even vaak heb ik een goed advies paraat. Alleen mezelf kan ik streng toespreken zonder daarvan weg te willen – of kunnen natuurlijk – rennen. Naar mezelf luister ik het best. Niet graag, overigens.’
‘Dus ik ben voor niks gekomen?’
‘Als je het mij vraagt wel.’
‘Maar jij bent mij.’
‘Als ik eerlijk ben, zit ik er niet echt op te wachten te weten wie of wat ik zou zijn geworden als dit wel en als blabla dat en zus of zo en ga maar verder. Waar ik nu zou staan, heen zou gaan, vandaan zou zijn gekomen. Al die variabelen, man. Geloof je eigenlijk zelf wel dat je dit mag opeisen?’
‘Zeker.’

Ik wilde me wegdraaien met mijn rug naar hem toe.
‘Je mag best weten, Jelmer.’ Ik draaide me terug.
‘Ik ben blij met wie jij bent. Ik ben trots op je. Ik had het nooit zo kunnen doen en wat ik allemaal wel heb, wat ik goed deed, waar ik de juiste keuzes maakte, noem maar op, daar ben ik verder van jou af komen te staan. Ik ben jou gaan missen op een manier waarop jij mij alleen maar kunt verafschuwen. Alle redenen heb je om wie, wat ik ben, waar ik sta, wat mij te wachten staat af te keuren.’
‘Nou ja, uh… kom op. Zo erg kan het niet zijn.’
‘O, begrijp me niet verkeerd. Het is helemaal precies wat ik wil. En wat jij zou hebben gewild als het daadwerkelijk zo zou zijn gegaan.’
‘Hoe bedoel je dan?’
‘Je past je aan, Jelmer. Je vecht – soms voor de vorm, soms uit noodzaak, vaak niet hard genoeg, meestal zonder resultaat – om je neer te leggen bij hoe het nu eenmaal is. Je neerleggen is ook vechten. Je bevecht ook juist de gang van zaken. Soms met een motivatie, een ijverigheid waar ik jaloers op ben.’
‘Goh, ja. Bedankt.’
‘Je schrok er niet eens van dat ik plots bij je in bed lag net.’
‘Ik ben wel wat gewend.’ We lachten allebei.

Hij zei dat hij beter kon gaan.
‘Mooi je te ontmoeten, tegenpool.’
‘Jou ook, dwaas.’

Hij klom over me heen, zoals mijn vriendinnetje doet als ze naar de wc gaat. Ik vond het oké. Hij was mij. Wie moest zich voor wie schamen? Niemand nergens voor. Toen hij mijn kamerdeur van het slot draaide en naar buiten stapte zei ik nog:
‘Wat deed jij eigenlijk wakker?’ Zijn hoofd verscheen door de deuropening.
‘Hoe bedoel je?’
‘Als jij bent wie ik zou zijn geworden als en zo, dan zou je toch gewoon ’s nachts slapen. Dat is toch wat ik hoop voor je. Dat zou me wel rustig maken, dat ik het in me had gehad te slapen ’s nachts.
‘Sorry, Jelmer.’

Hij stapte mijn kamer uit en trok de deur achter zich dicht.

Wij zijn nog vaak het kind dat van ons uit

Wij zijn nog vaak het kind dat van ons uit
de weg naarbuiten vindt. Het mag een wonder heten, toch
hebben wij het naar iets triviaals vernoemd, gaven
het een koosnaampje als Kareltje of Trien. De weg

die wij toen zij nog ons waren niet eens hadden gevonden
zijn wij inmiddels weer volkomen kwijt. De tijd is naast
een grootmeester in het verzetten van de klok ook
de kogel die het tehuis dat wij zijn sloopt.

Wij verzamelen onbeholpenheid. Wij kruipen in onszelf
terug. Binnenstebinnen. Zouden wel opnieuw willen
beginnen. Helemaal naar niks, met alleen de kennis van nu.
Niets mag. Het regent. Er is geen paraplu.

Wat je achterlaat

Er is een lege plek, ter grootte van precies mijn lijf.
Elke dag opnieuw gaat deze lege plek op reis.

Ze staat tegen het eind van de middag uit mijn lichaam op
daalt de trap af en verlaat het huis. Op straat ziet niemand haar.

Ze heeft voldoende ruimte op haar weg naar het station.
Een druk perron verraadt dat zij de hoek is waar niemand staat.

Wanneer de trein vertrekt kan ze zich niet meer verschuilen.
Het is een lange rit. Ze zoekt en vindt een plaats. Ze zit.

Weliswaar onzichtbaar en slechts een enkeling die erop let:
de stoel waarop ze plaatsnam, blijft volledig onbezet.

Totdat ze uitstapt en haar reis vervolgt.
Om uren later pas de nacht door te kunnen brengen

in jouw bed. Ze krult zich om je heen en houdt je stevig vast.
Zo zorgt ze dat je nooit alleen bent.

Je merkt er weinig van, maar ze is er echt.
Zoveel leegte naast je dat een ander mens niet past.

’s Ochtends moet ze haasten, is ze vroeg weer weg.
Ze neemt de route van de dag ervoor, ditmaal andersom.

Ze stormt mijn kamer binnen, ziet mijn lichaam zitten.
Wachtend. Het deel van mij dat altijd blijft.

Ze laat zichzelf weer in me achter
en verdwijnt.

Perfectionisme

Wij liggen in de zich door zijn eigen warmte heen
slepende zomer pril te wezen op het heetst van de dag
en leven op het scherpst van de snede; nergens is het gras
zo groen als het hier zijn moet, aan deze oever
in een stad die vooral bestaat uit vroeger.

Als straks de schemer valt, hopen we weer meer
aan de vooravond te staan van wat in de volksmond
voor relatie door moet gaan, maar wij liever niet noemen
bij naam. Nergens klotst het water als het hier doet
nadat een schip traag voorbij gevaren is.

‘Een ijsje?’ vraagt ze. En na veel ge-ja-maar en waar-dan
stem ik in. ‘Wat is een slecht begin?’ denk ik. Vast de helft
verpest. Wij lijden aan gewens. Zijn nooitgenoeglijk ziek.
Het ijsje op. Enig verkleinwoord. Vergroot het tot ijs,
maak die lange ij nu kort. Tot het allemaal ondoenlijk wordt.