Patrick Duff and my Hat

‘The last gig I played with Tom Copson (JvL) was in the picturesque city of Delft. The concert space was in a huge derelict nunnery that had now become home to various artists, poets, musicians and drifters. The gig had been organised by Wishful music and the poet Jelmer van Lentern who occupied one of the old cells in the nunnery. A bespectacled young man in his early twenties who wore a brown dog tooth flat cap and who met us at the great black front door. Some people have a gentleness and grace that is inspiring to be around and Jelmer was one such person. In a world that is full of individuals all clamouring for attention of one sort or another it is a real tonic to meet a quiet and humble person like Jelmer who has a great sense of depth and weight about him for one so young. With a straightforward consideration he left me in his room to warm up and I couldn’t help noticing a rather fetching black homburg hat perched on the edge of his bookshelves of poetry. I could not resist, and it was slightly embarrassing when Jelmer unexpectedly returned to his room to find me looking at myself in the mirror wearing his hat. Especially as I’d only just met him. “Um, yeah sorry man,….Uh , I just saw the hat… it’s really cool” …. “Then you must have it” Jelmer replied. “Oh No.. I couldn’t really” “No. I insist” continued Jelmer “It has never fitted me properly and it looks really great on you”. And so I had a new hat and I wore it at the gig that night and at almost every gig I’ve done since. Thanks Jelmer! (I can see that hat now as I write hanging on the end of a large gong with stand that is in my bedroom). The gig in Delft was another special occasion. There were a lot of people crowded into a large wooden floored room. There was a hushed quality in the atmosphere of the concert.  It was like the prayers of all those nuns down the years were holding their breath as I played through my songs and the pin drop audience of all ages were absolutely fantastic. When Tom played there was thunder and lightening and candles and fairy lights and it was a cracking end to our time together. That night we stayed at Jelmer’s dads house. The coolest dad on mainland Europe. Tom drank whiskey with him late into the night and we listened to music. The next day Tom set off very early in the morning to play a festival in Marleybone, London. It had been an absolute pleasure touring with Tom. I felt that we were able to develop a strong friendship in our time together and I felt the spirit of great generosity towards him as we said goodbye in Delft and wished each other all the luck in the world. (…)
The next morning I stayed on at the cool dad’s house alone until Jelmer turned up and we ate breakfast. Jelmer then wrote me out an English translation of a truly beautiful poem he had written which I will treasure. (…)’
(Soms is m’n leven eigenlijk gewoon al af.)

PROOF PATRICK WEARS MY HAT!

De onderschatte kantoorklerk

in drie luiken

LUIK 1

Hij ruikt naar zweet
en zweemt naar bezig.

Doen alsof: luchtledig
staart inmiddels terug.

Ergens staat,
onder een regenboog,
zijn kist vol waarde.

Hij hoeft er alleen
nog heen te dromen

om hem op te halen.

LUIK 2

Vannacht wakker gelegen en bezocht
door een vrouw met een witte zeven
in haar hand, een rode vlag
en giftige laarzen.

Sprookjes bestaan, zei ze, net als
droge tranen.

En een spookbestaan? vroeg hij.

Dat ook. En klotebanen.

LUIK 3

Ga bij de koffiemachine staan,
drink liters,
word zenuwachtig van de cafeïne, loop rond
en laat de hond uit.

Kom steeds later, tot er een dag is
die je overslaat, om pas de dag erna
binnen te stappen en te zeggen dat je gaat.

Als altijd ben je te laat met zoiets;
je bent al ontslagen.

Sta op, leg je bij de pakken neer, ga zitten,
word breder (van het dragen, van de drank),

faal nog eens, doe het beter.

Ik ken de woorden die de nadruk op haar schoonheid

Ik ken de woorden die de nadruk op haar schoonheid
kunnen leggen, die haar zouden achtervolgen
tot in lengte van dagen en die haar het nakijken
zullen geven, maar zeg ze niet.

Ik weet plekken waar we samen naartoe kunnen gaan
om er te vrijen van zonsop- tot -ondergang,
waar waterpartijen langs bloemen stromen,
de muggen uitgestorven, het gras het groenst,
maar ik gum de kruisjes van mijn kaart.

Ik heb de eigenschappen waarmee ik haar in zal kunnen pakken
ik ken haar verlangens en gedachten, maar ik neem
een ongemakkelijke stoel en noem het wachten.

Ik zal me ontmaskeren: ik ben geen minnaar.
Ik ben alle mannen die smachten naar een nacht met haar.

Ik stik van de honger maar weerhoud me verstandig
van wat allang en duidelijk niet houdbaar meer is.

Stemmen

Toen ik zes was waren er stemmen die me verboden te slapen. En om zeker te zijn dat ik niet zou slapen, legde ik alle spullen van mijn kamer op mijn bed en ging ik in de hoek staan. Als mijn vader mij zo vond, vroeg hij:
‘Wat doe je?’
‘Niet slapen.’
‘Waarom?’
‘Mag niet van de stemmen.’
‘En waarom ligt je bed vol spullen?’
‘Nou, als ik dan te moe word om wakker te blijven, ben ik ook te moe om m’n bed leeg te halen. Dus dan slaap ik alsnog niet en dat is wat de stemmen zeggen.’

Mijn vader dacht er het zijne van en liet het erbij. Ik was al slechtziend, dus om zich ook nog om mijn mentale gezondheid druk te gaan maken was geen plaats bij mijn ouders. Wonderlijk verhaal, blijf ik het vinden. En raar. Alsof het niet over mij gaat.

Accepteren en loslaten

Vandaag verloor ik € 70,-. Twee briefjes van 20. Drie van 10.
Ik was in kleermakerszit een sigaret gaan roken toen ik moest wachten op een afspraak. De vrouw die me hielp zoeken, moest bijna huilen. Ik zei dat ik heel goed ben in accepteren en loslaten. Ze zei dat dat een mooie eigenschap is, maar ook dat ze het ontzettend rot voor me vond. Ik zei dat ik goed ben in accepteren en loslaten. Ze zei dat zeventig euro veel geld is. Ik zei dat ik het had geaccepteerd en losgelaten. Ze zei dat het zonde was. Ik zei dat het maar geld was, dat geld me minder interesseert dan het huwelijk van Patricia Paay (De Weekend). Ze zei dat ze het knap van me vond. Ik zei dat erover klagen me alleen maar tijd zou kosten en verspilde energie zou zijn. Ze zei dat ik een mooi mens was. Ik zei u ook.

Reisje

Ik droomde dat ik al veertien jaar moest plassen
maar het verschil tussen de zevende versnelling
en het achtste uienschilletje niet in mijn kofferbak had gelegd.
Gelukkig wist Barbapapa daar nog wel een mannetje voor.

Jij was er een waterval.

Al het zonlicht van wel zeventien lentedagen
zat geconcentreerd in een half pak perziken
zonder pit. Dat was oké. Alles voor de rest ook.

Obligate vormen en draaisels en die kant in
en blabla uit en symmetrie die niet klopt
of wel maar hoe dan en kankerwaus
wat doen die echte kleuren hier?

Liefde.

Toen ik weer wist hoe je je blaas moet legen
deed ik dat per ongeluk gewoon op het toilet.

( )

Aan haken en ogen heb ik veel te danken.
Wat je als kind niet zag, was er niet of wanneer
je je handen als kamerscherm gebruikte – alles weg.

Zo zou het moeten zijn: een trein rijdt dwars
door een trein, niemand keek, geen overledenen.
Niemand gewond. Mijn ogen hoefden niet gesloten –
de hoogste duikplank stond aan mijn voeten.

Het einde als dat van de wereld en ik hoefde niets
maar mocht er helemaal alleen naar toegelopen
af. Een vrouw zei dat ik minder huilde met mijn rug
naar het licht. Nu ik dat zelf ook weet

krijgen anderen van mij gratis uitzicht. Op blinde muren
uit kroegen naar meisjesbenen, vanaf het dakterras
over de stad. Er zijn mensen die me erop wijzen
als ze denken dat ik het vergat. Ze weten niets

over brillen en zwijgen. De schemer of nacht.

En als ik dan om een Chinees te zijn een elastiekje wond
rond mijn hoofd en een raar accent opzette, wisten zij:
dat hoort erbij. Zo is zijn zijn. Even prettig, ietwat
gestoord. Ik bleef denken dat ik, want ik dacht, bestond.

Een stem vanuit een andere kamer zegt tegen een kind

Een stem vanuit een andere kamer zegt tegen een kind
in het lichaam van een man van veertig dat houden van
niet gratis is en helemaal bij jezelf begint.
Het klinkt alsof het de man niet kan bekoren.

Hij schreeuwt iets over stemmen die hij niet wil horen
en dat dokters buitenaardse wezens zijn. Ik lig stil
in de houding die ik me toesta te hebben aangenomen
in een bed dat ruikt naar ziekenhuis. Ik ben thuis.

In een zelfhulpboek stond dat wie tegen de stroom
in zwemt, vanzelf een zalm wordt die ten prooi zal vallen
aan een hongerige beer.
Ik vind van niet.

De verpleegster wijst me er nog één keer op:
dit is geen discussie. Het laatste woord nemende
zeg ik dat binnen mijn persoonlijke ruimte
een meisje mag schuilen, wonen, huilen en blijven.

Op aarde weet ik dat de plek die ik mijn lichaam noem
de juiste locatie is om onvervalst bescheiden te blijven
als ik zeg dat ik niet bestaan kan zonder haar ogen.
Alleen tegen haar zeg ik welkom. De deur staat altijd open.