Ik ken de woorden die de nadruk op haar schoonheid

Ik ken de woorden die de nadruk op haar schoonheid
kunnen leggen, die haar zouden achtervolgen
tot in lengte van dagen en die haar het nakijken
zullen geven, maar zeg ze niet.

Ik weet plekken waar we samen naartoe kunnen gaan
om er te vrijen van zonsop- tot -ondergang,
waar waterpartijen langs bloemen stromen,
de muggen uitgestorven, het gras het groenst,
maar ik gum de kruisjes van mijn kaart.

Ik heb de eigenschappen waarmee ik haar in zal kunnen pakken
ik ken haar verlangens en gedachten, maar ik neem
een ongemakkelijke stoel en noem het wachten.

Ik zal me ontmaskeren: ik ben geen minnaar.
Ik ben alle mannen die smachten naar een nacht met haar.

Ik stik van de honger maar weerhoud me verstandig
van wat allang en duidelijk niet houdbaar meer is.

Stemmen

Toen ik zes was waren er stemmen die me verboden te slapen. En om zeker te zijn dat ik niet zou slapen, legde ik alle spullen van mijn kamer op mijn bed en ging ik in de hoek staan. Als mijn vader mij zo vond, vroeg hij:
‘Wat doe je?’
‘Niet slapen.’
‘Waarom?’
‘Mag niet van de stemmen.’
‘En waarom ligt je bed vol spullen?’
‘Nou, als ik dan te moe word om wakker te blijven, ben ik ook te moe om m’n bed leeg te halen. Dus dan slaap ik alsnog niet en dat is wat de stemmen zeggen.’

Mijn vader dacht er het zijne van en liet het erbij. Ik was al slechtziend, dus om zich ook nog om mijn mentale gezondheid druk te gaan maken was geen plaats bij mijn ouders. Wonderlijk verhaal, blijf ik het vinden. En raar. Alsof het niet over mij gaat.

Accepteren en loslaten

Vandaag verloor ik € 70,-. Twee briefjes van 20. Drie van 10.
Ik was in kleermakerszit een sigaret gaan roken toen ik moest wachten op een afspraak. De vrouw die me hielp zoeken, moest bijna huilen. Ik zei dat ik heel goed ben in accepteren en loslaten. Ze zei dat dat een mooie eigenschap is, maar ook dat ze het ontzettend rot voor me vond. Ik zei dat ik goed ben in accepteren en loslaten. Ze zei dat zeventig euro veel geld is. Ik zei dat ik het had geaccepteerd en losgelaten. Ze zei dat het zonde was. Ik zei dat het maar geld was, dat geld me minder interesseert dan het huwelijk van Patricia Paay (De Weekend). Ze zei dat ze het knap van me vond. Ik zei dat erover klagen me alleen maar tijd zou kosten en verspilde energie zou zijn. Ze zei dat ik een mooi mens was. Ik zei u ook.

Reisje

Ik droomde dat ik al veertien jaar moest plassen
maar het verschil tussen de zevende versnelling
en het achtste uienschilletje niet in mijn kofferbak had gelegd.
Gelukkig wist Barbapapa daar nog wel een mannetje voor.

Jij was er een waterval.

Al het zonlicht van wel zeventien lentedagen
zat geconcentreerd in een half pak perziken
zonder pit. Dat was oké. Alles voor de rest ook.

Obligate vormen en draaisels en die kant in
en blabla uit en symmetrie die niet klopt
of wel maar hoe dan en kankerwaus
wat doen die echte kleuren hier?

Liefde.

Toen ik weer wist hoe je je blaas moet legen
deed ik dat per ongeluk gewoon op het toilet.

( )

Aan haken en ogen heb ik veel te danken.
Wat je als kind niet zag, was er niet of wanneer
je je handen als kamerscherm gebruikte – alles weg.

Zo zou het moeten zijn: een trein rijdt dwars
door een trein, niemand keek, geen overledenen.
Niemand gewond. Mijn ogen hoefden niet gesloten –
de hoogste duikplank stond aan mijn voeten.

Het einde als dat van de wereld en ik hoefde niets
maar mocht er helemaal alleen naar toegelopen
af. Een vrouw zei dat ik minder huilde met mijn rug
naar het licht. Nu ik dat zelf ook weet

krijgen anderen van mij gratis uitzicht. Op blinde muren
uit kroegen naar meisjesbenen, vanaf het dakterras
over de stad. Er zijn mensen die me erop wijzen
als ze denken dat ik het vergat. Ze weten niets

over brillen en zwijgen. De schemer of nacht.

En als ik dan om een Chinees te zijn een elastiekje wond
rond mijn hoofd en een raar accent opzette, wisten zij:
dat hoort erbij. Zo is zijn zijn. Even prettig, ietwat
gestoord. Ik bleef denken dat ik, want ik dacht, bestond.

Een stem vanuit een andere kamer zegt tegen een kind

Een stem vanuit een andere kamer zegt tegen een kind
in het lichaam van een man van veertig dat houden van
niet gratis is en helemaal bij jezelf begint.
Het klinkt alsof het de man niet kan bekoren.

Hij schreeuwt iets over stemmen die hij niet wil horen
en dat dokters buitenaardse wezens zijn. Ik lig stil
in de houding die ik me toesta te hebben aangenomen
in een bed dat ruikt naar ziekenhuis. Ik ben thuis.

In een zelfhulpboek stond dat wie tegen de stroom
in zwemt, vanzelf een zalm wordt die ten prooi zal vallen
aan een hongerige beer.
Ik vind van niet.

De verpleegster wijst me er nog één keer op:
dit is geen discussie. Het laatste woord nemende
zeg ik dat binnen mijn persoonlijke ruimte
een meisje mag schuilen, wonen, huilen en blijven.

Op aarde weet ik dat de plek die ik mijn lichaam noem
de juiste locatie is om onvervalst bescheiden te blijven
als ik zeg dat ik niet bestaan kan zonder haar ogen.
Alleen tegen haar zeg ik welkom. De deur staat altijd open.

Door het neusgat van een drugshond

Omdat een rijbewijs er niet bepaald inzit voor een gigantisch slechtziende jongen die man wordt, moesten mijn ouders creatief omspringen met wat er aan cadeaus aangerukt moest worden voor mijn achttiende verjaardag.
Het werd een bescheiden feestje, gewoon thuis met wat vrienden en een paar kratten bier, mijn toen al traditionele ticket voor Lowlands, een digitale camera en een week Dublin samen met mijn vader.
Allemaal leuk natuurlijk. Maar Dublin was het mooiste cadeau dat ik ooit gekregen heb van mijn ouwelui.

Al bij aankomst op het vliegveld begon de pret. De drugshond van dienst – ja het is Ierland en ja het was een vlucht uit Nederland – kwam langs me, twijfelde, liep bijna door, keerde om, snoof aan mijn broekzak, ging zitten kwispelen en keek mij aan alsof ik hem zijn beloning zou geven.
Het was echt een prachtige hond, dus ik wilde het dier een aai over de bol geven. Dat bleek verre van de bedoeling. De douaniers van dienst waren al aan komen rukken en ik werd als een malle uit de rij gehaald.
Mijn medereizigers kregen nog een heel stuk van het geschreeuw van de mannelijke douanier mee. Of ik iets bij me had, of ik wel wist dat dat illegaal was, wie ik wel niet dacht dat ik was en waarom ik hem zo schaapachtig aan stond te lachen

Dat deed ik omdat ik ervan overtuigd was dat ik geen drugs bij me had. Het moest een misverstand zijn. Ja ik rookte hasj en wiet in Nederland maar had mijn portemonnee vrij goed gecheckt voor vertrek. Ik loog dus op dat moment echt niet toen ik zei:
‘I’m sorry sir, and yes sir, I’m aware narcotics are illegal in your country, but trust me: I have nothing on me.’

Ik werd afgevoerd naar een hokje dat bestond uit twee kamers. Een vrouwelijke douanier vroeg ‘where did the dog indicate you’ en ik haalde mijn portemonnee al tevoorschijn.
‘Good,’ zei ze. Ze begon aan een grondig onderzoek. Niet alleen van mijn leren, volgestickerde, verweerde portemonnee, maar ook mijn koffer ging open. Ze doorzocht alles.

Inmiddels moest ik mee naar het andere kamertje, waar een man witte handschoenen aantrok en me in eerste instantie alleen zeer gronding fouilleerde. Ik dacht al aan hoe het zou zijn als hij straks vriendelijk verzocht of ik wilde bukken, mijn broek wilde laten zakken en ‘on the count of three’ moest hoesten.
Alsof de schoolbel ging riep de vrouwelijke douanier vanuit de andere kamer ‘I’ve got something, I’m pretty sure.’
Ze had een leeg ziplockje gevonden. Daarin had vast en zeker wiet of hasj gezeten. De hond was goed getraind legde ze uit. Dit zal wel de boosdoener zijn geweest.

Met een netter ingepakte koffer dan ik vanuit Nederland was vertrokken, brachten de douaniers me terug naar m’n vader.
‘Are you aware, mister, that your son smokes pot?’
Yes, I am.’

Einde verhaal.

Dacht ik. Want aangekomen in het Bed & Breakfast, toen mijn vader van alle stress en de reis toch even wilde bekomen onder de douche, bekeek ik mijn portemonnee nog eens goed.
Er zat in het midden, bij de vouwrand een rits. Een soort geheim kamertje, een dubbele bodem zogezegd. Ik ritste en vond tot mijn absurd grote verbazing nog een aantal lege zakjes.

En een vol zakje, met ruim één gram hasj. Ik heb die week heel wat Dubliners blij gemaakt…

De juiste woorden – ft. Jelmer van Lenteren (Robin Haijes)

@robinhaijes made this amazing song inspired by a poem I wrote.

De juiste woorden

We zijn zomaar ergens, ergens waar het warm is
en waar het licht naar binnen schijnt. Zij draagt de taal
als een hoed en wordt er chiquer van.

Ze praat over de mooiste koetjes en de liefste kalfjes
met een accent dat als een blote jurk om haar lichaam hangt.

Wat ze niet zeggen durft, verdwijnt in haar decolleté.
Dan zucht ze een ketting rond
haar nek.

Ze zegt iets intelligents als: een mooie man hebben
is niet vereist, maar strekt tot aanbeveling.
Dat wat ze zegt verwordt tot wollen sjaal.

Ze stapt rond in haar versprekingen als op hoge, zwarte hakken
op een witte vloer. Ik zie haar schone ondergoed
als ik haar later die avond de mond snoer.

Een setje juiste woorden.

Sluitertijd

naar J. C. Bloem

Geklik van ingedrukte knoppen
Wordt ritme in het weids gebied
Gelijk op ruiten juist het kloppen
Van regen klinkt als tikkend lied

De jeugd, verwend, hoeft niet te wachten
Het scherm toont beelden al meteen
Verstoken van verdwenen wachten
Lijkt kwaliteit nu algemeen

Maar tussen toen en nu: vertragend
Zal zijn dat met de levensduur
De scherpte van het beeld vervagend
Onduidelijker met het uur

Niet te verlichten is het leven
Ten einde is dit het toch het meest:
Te kunnen inzien: het is even
Tussen zwart en zwart fel wit geweest