Bed voor Berry

Als bedden iets hadden om over te praten, te delen
met de mensen of elkaar dan zou wat hier volgt
niet gelogen zijn, berusten op volkomen waar.

Gebeurt dat niet, dan nog is het verhaal dat komt
de moeite waard om mee te delen. Als in: aan jou.

Niemand reserveert een tafel voor twee en beantwoordt
de vraag ‘u bent alleen?’ met ‘ik deel alles, mijn bed
en diners met een verhaal, niet alleen dus nee’.

In een wirwar van herkenning, teruggevallen engelen
rook en dronk, een schokkend, onverstaanbaar vragen
naar het onverklaarbare waarom, kwam een beeld voorbij
dat zich vast heeft geklampt: zweten, doorweekt als een otter.

Oplossing? Een tweede nest. Van zeiknat naar droog naar negen
uur aanwezig op het werk. Dan in omgekeerde volgorde
hetzelfde ritueel. Menopauze, jaar of zes.

Daar nu uit. Al komt na regen vaak meer regen, is windtegen weliswaar
aan welke kant je op wilt onderhevig, geregeld is het bekant
een mensenleven lang een mens doorlopend vaker niet dan wel gegund.

Dus nu ligt op ons matras een vrouw die laatst zo optimistisch was.

Zoals valium gegeven nu even en alles wat kalmeert gezegd is
en herhaald, beloftes gemaakt, zo kan een hoopje van het wenen
bevend lichaam en verdriet gedegen rekenen op ons.

Onzin als de tijd en zijn helen dat wat we willen en weten komt
met geduld – dat mag zich laten hekelen.

Niet graag verkoopt wie zijn leven hoopt te beteren een centje leugen
in de hoop op hoop. Beter loopt wie zoveel zeker weet dat het eng is
te beleven met dat hij voorspellen kan niet naast zijn schoenen weg.

Tot in een wirwar van klaarte, geleerd van zijn fouten, hij
die dat niet in het volste vertrouwen doet uitspreken kan
‘het komt oprecht, écht goed!’

Mitch Henriquez

(naar Martinus Benders)

Er vonden veel van niet, velen juist van wel.
Onwel of niet, de rechter had vier keer water nodig
om zijn laffe, gespannen, haast hoopvolle vonnis
door zijn strot te krijgen. De strot, als thema in dezen

al zo hot. Waar Du Pon het nodig vond te spreken
alsof het tegen een klas peuters was, wij voelden ons
Jippen en Jannekes, de kort gefilmde officieren
van justitie leken hond Takkie en poes Siepie.

Sterk theater, veel gebakken lucht, weinig raak:
Du Pon wist gebeurtenis, gevolgen en meer
zeker drie keer te benoemen. Het falen?

Niet in zijn verschillende verhalen, misschien
in het vonnis zelf nog niet per se. De beraadslaging?

Daar kunnen we niks mee. Ik moet bekennen:

Jan Willem is een zeer bedreven en ervaren oplichter.
Hij deed de goede luisteraar denken, geloven, weten
dat het goed zou komen. Noemde dan heel even
de bijzondere omstandigheden. Een keer of twee.

Dat was voldoende. Een agent kan schuldig zijn
en zelfs bevonden worden aan ernstige mishandeling
met de dood als gevolg. Van samenwerking tussen DH2

en DH1 was sprake, aldus Du Pon. Medeplichtigheid
en reden voor straf. Maar dan… hoe laf? De straf?

Een half jaar voorwaardelijk met proeftijd.
Slechts een jaar. Ook wij hebben een eis:

De gifbeker voor ons lieve wijf Justitia.
Dat hij nooit zou eindigen, de strijd
dat leek ons meer dan logisch.

En toch, hoe jammer is het, hoe pijnlijk
hoe ziek ook dat ons rechtssysteem
zich met dit vonnis niet alleen heeft
onderuitgehaald.

We zitten in zijn kielzog. Bij dezen
verklaar ik op hoogstpersoonlijke titel
aan De Rechtspraak de oorlog.

De participatiewet

We zaten in bad. Zoals bijna dagelijks zat ik me op te winden over het systeem. De overheid doet aan sociaalvangnetbeleid maar ik noem het liever asociaalvalnetnietbeleid. Je krijgt duizend euro, of (veel) minder en wordt geacht niet alleen je bek te houden (nope), uiteraard erg dankbaar te zijn (check) maar dan: de p a r t i c i p a t i e w e t. Mensen, is de sec definitie van deelnemen aan iets er onderdeel van zijn, ergo: participeren aan de samenleven betekent ademhalen en mens zijn, basically. Mijn opwinding zette ik kracht bij met een scheet, wat me op de volgende metafoor bracht: ‘De participatiewet,’ zei ik, ‘is te versimpelen tot “jij krijgt geld, maar dient je bewust te zijn van je – weliswaar verlaagde – positie in de maatschappij, moet je verplicht weten deel te nemen aan de samenleving middels lepels vouwen met behoud (of tegenwoordig zelfs korten (want je kunt werken…)) van je uitkering en we dwingen je graag tot werken door ’m van je af te nemen (pro-actief begeleiden naar de arbeidsmarkt noemt het UWV dat), je hebt meldplicht van langer dan een week naar het buitenland gaan en nog een scala aan plichten en matige rechten, maar je moet dankbaar zijn en je muil houden… [nu komt mijn metafoor] dat voelt als een dampende hoop stront in de pot leggen (waarbij je lichaam van jou in de overheid verandert), vervolgens een biljet van honderd euro in die drol steekt en eist: je mag niet stinken!”’ Nou, dat dus.

Denkend aan drive-throughs

Denkend aan drive-throughs
zie ik lelijke auto’s
graag langs bedrieglijk
koopwaar staan,
rijen verachtbaar
vuile colonnes
de uitstoot potsierlijk
hun ruimte uitslaan;
en in de vertrappende
krapte verdrongen
de huizenrijen
geen ruimte, geen rand
stroomgroepen, oorden
geslepen krabbers,
gassen en wolken
in een doods verband.
De smog hangt er laag
en de zon wordt vandaag
door grauwe grijskleurige
lampen verjaagd.
Zie aan, het verpesten
van al eens ons zo lief was –
men vraagt eeuwige rampen
maar smeekt ongehoord.

Gerda

TIM MINCHIN – THANK YOU GOD

We gingen ontbijten bij de IKEA. We, mijn vriendin en ik. Dat omdat we ontbijten bij de IKEA goedkoop is, je er de koffie (in mijn geval dubbele espresso’s) gratis bij kunt blijven halen en mijn vriendin graag de hele route wilde lopen.

Alleen in het restaurant achtergebleven zat ik op mijn telefoon wat mailtjes en berichten te beantwoorden. Zoals ik dat dus altijd doe: smartphone op tafel, koptelefoon op mijn hoofd, volume vol en natuurlijk zichtbaar slechtziend voor elke toeschouwer.
De één of twee keer dat ik opkijk, zie ik dat links tegenover me, aan het tafeltje dat naast het mijne staat, een vrouw zit met een handtas voor zich en geen koffie, dienblad of iets anders dat duidt op consumptie. Prima, denk ik nog, als jij graag op de meest trieste plek op aarde gaat zitten glimlachen naar de mensen zodat ze zich wellicht net iets nuttiger voelen omdat zij wel iets nodig hebben van de IKEA, mijn zegen heb je.
Kennelijk had ik helaas haar zegen ook. Niet lang na de tweede keer dat ik haar heel kort aangekeken had, legde ze haar hand naast mijn telefoon, overduidelijk om mijn aandacht te trekken. Ik had een rustige morgen, mijn vriendin was zich aan het uitleven op de te kopen verhuisdozen en hopelijk ook wat leuks voor zichzelf dus ik kon wel even beleefd mijn koptelefoon afzetten en vragen of er iets was dat de dame graag met me wilde bespreken.

Nou, dat wilde ze wel.

‘Mag ik wat vragen?’ vraagt ze. Dat deed ze al dus nee zeggen had sowieso al geen zin meer en zoals ik al aangeef hierboven, was ik in een mile bui.
‘Natuurlijk.’
‘Ik ben christen.’ (O. Mijn. God!) ‘Ik zie hoe je op je telefoon kijkt en dingen moet lezen en ik vind het zo zielig voor je.’
‘Dat is vriendelijk van u, maar ik red me wel, hoor, maakt u zich geen zorgen.’
‘Mag ik voor je bidden?’
‘Ja,’ zeg ik. Ja? Meen ik dat nou? Zeg ik nou ja? Kennelijk zeg ik ja. Maak van milde bui maar spirituele hippiebui waar ik mezelf eigenlijk echt niet in herkennen wil.
‘Mag ik naast je komen zitten?’ vraagt ze. Ik zeg dat dat oké is maar wel even uit wil leggen wat mijn oogprobleem is. Niet alleen om haar de illusie dat ze iets zal kunnen veranderen weg te nemen, toch vooral ook om even mijn voorkeur voor feiten, wetenschap en – toegegeven – het onlosmakelijke verband tussen geloof/religie aan de ene kant en (zogenaamde) wetenschap/techniek aan de andere kant te hebben benoemd.

Ze staat op, neemt plaats naast me en vraagt:
‘Mag ik vragen hoe je heet?’ Wederom neig ik naar een flauw antwoord als dat ze dat zojuist al gedaan heeft maar ik noem mijn naam.
‘Oké, Jelmer, daar gaan we… IN JEZUSNAAM, GOD DE SCHEPPER, GENEES DE OGEN, HET NETVLIES VAN JELMER, ZORG DAT NIET DE BLINDHEID HET ZAL WINNEN IN DE TOEKOMST MAAR HIJ ZAL HERSTELLEN TOT HOE U HEM ZOU HEBBEN MOETEN GESCHAPEN, IN JEZUSNAAM, GOD DE ALMACHTIGE, GENEES JELMER, IN JEZUSNAAM, GENEES!

‘Amen,’ zeg ik vrij hard. Me schamen tegenover mensen die op vrijdagmorgen in de IKEA komen ontbijten is wel het laatste wat ik zou doen in gevallen als deze. Daar moet je me toch echt tot verregaand verdere uitersten drijven.
‘Wat voel je nu?’ vraagt ze.
‘Positiviteit, warmte. Eigenlijk gewoon dat wat ik al tijden voel over mijn oogaandoening: kalmte, gewenning, geen constante angst, acceptatie.’
‘En wat nog meer?’
‘Humor natuurlijk. Ik maak graag grapjes, die slepen me er wel doorheen.’
‘Mag ik nog een keer voor je bidden?’
‘Is dat echt nodig?’ Op die vraag krijg ik niet eens een antwoord, de vrouw heeft weer haar hand op mijn schouder gelegd en houdt hetzelfde boze relaas tegen Jezus en de schepper en het schapen en hoe onvolmaakt ik ben.
Dit keer besluit ik niet met amen.
‘En wat voel je nu?’
‘Ik krijg sterk het gevoel dat u een antwoord van me verwacht, maar er is niet veel veranderd.’
‘Is er geen verbetering? Zie je nog niet beter?’
‘Nee, natuurlijk niet, dat is niet mogelijk, mevrouw, hoe heet u eigenlijk?’
‘Gerda, ik heet Gerda.’
‘Hallo, Gerda.’ We schudden elkaar de hand. ‘Komt u graag in de IKEA?’
‘Ja, ik kom hier graag mijn dingetjes doen?’
‘O, dus u heeft ook echt werk?’
‘Dit is mijn missie.’
‘Prima, ik zit op mijn vriendin te wachten, ik hoop dat ze zo komt.’ Ze begrijpt mijn boodschap.
‘Ik stap maar weer eens op, Jelmer. Ik wens je het allerbeste, en heel veel sterkte.’
‘Ach, de sterkte zit wel in mijn bril.’ Ze lacht niet.
‘God heeft ons naar zijn evenbeeld geschapen, dus ook jij verdient het genezen te worden en te blijven.’
‘Maar Gerda?’ Ik kan het niet laten.
‘Ja?’
‘Bent u het met me eens dat ook u een bril draagt?’
‘Dat klopt.’
‘Dus u bent ook niet volmaakt.’ Gerda zwijgt.
‘Eigenlijk kunnen we, als we even een heel zwakke steekproef houden en slechts naar u en mij kijken, wel stellen dat God slechtziend was of is, mocht Hij al bestaan, wat volgens mij overigens niet waar is, maar wel erg grappig zou zijn, vindt u niet?’
Zonder erop te reageren wenst ze me nog één keer heel veel geluk, staat op en taait af.

de schrijver haalt de dichter door

Tijdelijke Toon over (o.a.) mij

de schrijver haalt de dichter door
op het snijpunt, stevig pijnlijk
zodat hij die daarvoor dichter was
tussen de lijnen kan verdwijnen

opgerold een rijm van 5, eerst fijn
en daarna kleiner, dan snijdt hij lijntjes
van zijn eigen lijf, klein
verdwijnt er weinig

zo is er elke keer weer minder spijt
als hij de dichter ziet verschijnen
zo is er elke keer weer minder tijd
tussen parallelle lijnen

zo is er elke keer weer minder hij
altijd één lijn fijner, zo is hij
elke keer weer dichterbij
het eindpunt en het einde

Mijn dierbare vriend Tijdelijke Toon zei eens – na daarvoor te hebben gezegd van wel – dat hij dit niet per se over mij had geschreven. Mij maakt het niet veel uit, het gaat voor mij heus niet alleen over mij. Maar ook over Deelder, wellicht zelfs over Sartre (al was dat wel een pussy met z’n autistisch, afgewogen 200mg per dag) en over hoe dan ook nog wel meer snotgenoten. Toch hoop ik aan het ont- en bestaan van dit dit prachtige vers heb bijgedragen door… ach.. 

Sigur Rós @ AFAS Live

Bespreking recensies OOR (4/5) vs. Het Parool (3/5)

’t Was de elfde keer dat ik mijn IJslandse helden live zag, dus ik heb best wel een beetje recht van spreken. Erg gekleurd natuurlijk, maar het is niet voor niks Sigur Rós dat ik elf keer zag en niet Snikkelbek of 30 Second Mars Bars.

(SC)OOR!

Nooit heb ik (echt) iets met OOR. Ook ditmaal lijkt op iedere poging die Randy Timmers terecht(!) waagt dit absurd-fenomenale concert te beschrijven de formule ‘hoe lelijker het verwoorden, des te waanzinniger het faliekant mislukt omschrevene’ van toepassing. Dat is oké, zolang je het maar weet.
Timmers verdient overigens alleen al voor zijn positieve inzet een groot compliment. Een in tegenstelling tot de woordendrab waarin hij algauw verzandt en wegzakt heldere inleiding en geen gezanik over het veranderen dat bij deze band nu juist al twintig jaar tot de consistente speerpunten behoort.

HET PAR-DON?!

Het Parool, ’t suffertje van binnen de ring, glijdt wel heel erg uit over de eigen onkunde, Hans van Lissum – ’t zal wel een leuke knul zijn verder – zet vrij lelijk in met het verwijt dat Sigur Rós een trucje toe zou passen. Hij slaagt erin zich openlijk af te vragen waarom de band voor deze tour terug is afgeslankt tot een trio. De waarom-vraag! En dat terwijl de muziek naar zijn zeggen altijd toch vooral leunde op strijkers, blazers en andere muzikanten.

KEN JE KLASSIEKEN…

Hans heeft het lef de plaat Kveikur (2013) een ‘stijlbreuk’ te noemen, wat vreemd is in het licht van zijn eerdere verbazing over de afgeslankte en dus veranderde bezetting. Ook (ik bid tot de taalgoden dat hij een d is vergeten) bestempelt hij het geluid van dat zevende studioalbum als ‘lui’. Heeft Van Lissum Von (1997) ooit beluisterd, vraag ik me af… er is geen plaat van ze integraal voor menigeen zo onmogelijk te beluisteren als het debuut.

LAAT MAAR, JOH

Ik ga me verder niet in ons Hans verdiepen (misschien is hij gewoon te jong, onprofessioneel of interesseloos om te weten dat de band tegenover een gering aantal zeer geslaagde herhalingen bij (haast) ieder optreden toch vooral altijd weer opnieuw verrast met onder veel meer de vorm, volgorde, techniek et cetera). Alleszins slaat hij naar mijn zin onterecht een veel te hoge toon aan.

TRUCJE? BEETJE… MAGIE? ZÉKER!

Ja, Jónsi laat graag zijn bijna bovenmenselijk lang aan kunnen houden van een bizar hoge zangnoot horen! Maar die keer dat er in slow-motion een stel hoempapa-blazers over het podium trok, de keren dat (leden van) amiina van groot belang waren en zeker het ogenschijnlijk kleine Sigur Rós van afgelopen maandag dat in twee sets een geluid produceerde waar je eng van wordt en een lichtshow waar ik me nog van zit te overtuigen dat het een lichtshow en geen LSD-trip was, bewijzen toch vooral dat het maar goed is dat ik geen abonnement op Parool heb om de recensie uit te lezen en gegarandeerd alleen nog maar meer af te moeten zeiken.

HET WAS WEER GENIAAL

Goed, om positief te eindigen, want positief was het godnondeju sowieso!

Het is nog behoorlijk vrij vandaag

Het is vroeg, ik ben op straat, heb toen ik wakker werd besloten: er wordt deze dag een wandeling gemaakt. Mijn slechtste camera op zak, mijn goede moed niet thuis gelaten.
Alleen mijn liefje laten liggen. Uit respect voor haar rust en onze liefde weliswaar.

Ik heb nog geen foto genomen of een man houdt me staande. Hij in pak, ik alleen het hoogstnoodzakelijke aan; dit wordt lachen.

Maar mijn God, zeg! Hij maakt zowaar geen blunder, vraagt niet direct naar de bekende weg of dat elk gesprek verwoestend ‘hoe het met me gaat’ – hij valt wel meteen met deur en al in huis, begint over de toekomst. Hoe ik die zie?

Meestal liever niet.

Niet lang daarna, maar langer dan ik van mezelf gewend ben schudden we mekaar de hand. Hij heeft mij geleerd dat schelden heus niet altijd hoeft en ik hem, geloof of hoop ik toch, daar op dat bankje waar hij plaatsneemt nu aan het denken gezet over Vrije Wil.

Ik heb gezegd dat als die ongein niet bestond we ook niet zouden hoeven kiezen tussen goed en kwaad, laat staan ondankbaar hoefden doen wanneer het zoals altijd anders en ook weer nooit voldoende anders gaat.

Dat God het dan een stuk volmaakter had gedaan.