Pacht

De vrouw die ik liever meisje noem, heet voor het gemak
mama. Dat is vreemd ja. Toch heb ik dat nodig. Zeker even.

Kleine gebaren kunnen je van alles doen bevaren: zeeën
van tijd, golven gelukshormoon, drie decennia na dato
weten: twee keer dertig jaren eenzaamheid, vlagen
van verstandsverbijstering, zonder vlag. Vergeten

dat hoe klein of groot ook, het werkelijke weer
zal keren, als het getij het toelaat wandelingen langer
kunnen worden. De vraag ‘trok zij jou uit de goot?’
komt van een man met handen zo groot, samen
kunnen ze onze vier helemaal omsluiten.

Die heb ik tot nog toe weten te vermijden; ik liep erlangs
of zie haar niet. Dan besloten dat ze mij maar vindt.
Een zeehond ligt dood bij eb, een pallet ernaast
alsof er wegens haast geen ruimen plaats kon vinden.

Het beest toont alles wat ik niet laat zien aan moeder.
Zo ben ik behoeder van wat voor mijn ogen opgezwollen
mijn toekomst ligt te wezen. Het lukt me niet te vrezen.

Er is veel opsmuk, namaak, kopieergedrag, nasmaak
als ik opruk, dat wat ik al weet leer, doe wat niet mag.
Er is pracht die ik gepacht heb voor dit hier, dit nu.
Als ik haar bel staat er thuis achter mijn naam.

Zo vond ik in een sprookje onderdak. Tot met het gedag
en een illusie helderder voor ogen ik alsof verdrinkend
in drijfzand, zwaaiend naar het felle niks, verkeerde
overkant, het leven noodgedwongen heroppak.

Back to Top