Vissersvrouw

Ode aan Slauerhoff

Ik had me naar dit volk gejaagd
was aan de randste rand gaan zitten
een muurtje, stenen, zeeschuimkraag

een vrouw die daar te vissen zat
bood me graag wat hulp
tweeledig: dronk mijn whisky leeg
en stuurde me naar huis terug

want na regen komt meer regen–
en straks wordt het nog vloed

er voer een schip voorbij
en ik ervaarde
hoe ik haar sporen achterliet
zoals een varen doet

De onderschatte kantoorklerk

in drie luiken

LUIK 1

Hij ruikt naar zweet
en zweemt naar bezig.

Doen alsof: luchtledig
staart inmiddels terug.

Ergens staat,
onder een regenboog,
zijn kist vol waarde.

Hij hoeft er alleen
nog heen te dromen

om hem op te halen.

LUIK 2

Vannacht wakker gelegen en bezocht
door een vrouw met een witte zeven
in haar hand, een rode vlag
en giftige laarzen.

Sprookjes bestaan, zei ze, net als
droge tranen.

En een spookbestaan? vroeg hij.

Dat ook. En klotebanen.

LUIK 3

Ga bij de koffiemachine staan,
drink liters,
word zenuwachtig van de cafeïne, loop rond
en laat de hond uit.

Kom steeds later, tot er een dag is
die je overslaat, om pas de dag erna
binnen te stappen en te zeggen dat je gaat.

Als altijd ben je te laat met zoiets;
je bent al ontslagen.

Sta op, leg je bij de pakken neer, ga zitten,
word breder (van het dragen, van de drank),

faal nog eens, doe het beter.

Ik ken de woorden die de nadruk op haar schoonheid

Ik ken de woorden die de nadruk op haar schoonheid
kunnen leggen, die haar zouden achtervolgen
tot in lengte van dagen en die haar het nakijken
zullen geven, maar zeg ze niet.

Ik weet plekken waar we samen naartoe kunnen gaan
om er te vrijen van zonsop- tot -ondergang,
waar waterpartijen langs bloemen stromen,
de muggen uitgestorven, het gras het groenst,
maar ik gum de kruisjes van mijn kaart.

Ik heb de eigenschappen waarmee ik haar in zal kunnen pakken
ik ken haar verlangens en gedachten, maar ik neem
een ongemakkelijke stoel en noem het wachten.

Ik zal me ontmaskeren: ik ben geen minnaar.
Ik ben alle mannen die smachten naar een nacht met haar.

Ik stik van de honger maar weerhoud me verstandig
van wat allang en duidelijk niet houdbaar meer is.

Stemmen

Toen ik zes was waren er stemmen die me verboden te slapen. En om zeker te zijn dat ik niet zou slapen, legde ik alle spullen van mijn kamer op mijn bed en ging ik in de hoek staan. Als mijn vader mij zo vond, vroeg hij:
‘Wat doe je?’
‘Niet slapen.’
‘Waarom?’
‘Mag niet van de stemmen.’
‘En waarom ligt je bed vol spullen?’
‘Nou, als ik dan te moe word om wakker te blijven, ben ik ook te moe om m’n bed leeg te halen. Dus dan slaap ik alsnog niet en dat is wat de stemmen zeggen.’

Mijn vader dacht er het zijne van en liet het erbij. Ik was al slechtziend, dus om zich ook nog om mijn mentale gezondheid druk te gaan maken was geen plaats bij mijn ouders. Wonderlijk verhaal, blijf ik het vinden. En raar. Alsof het niet over mij gaat.

Reisje

Ik droomde dat ik al veertien jaar moest plassen
maar het verschil tussen de zevende versnelling
en het achtste uienschilletje niet in mijn kofferbak had gelegd.
Gelukkig wist Barbapapa daar nog wel een mannetje voor.

Jij was er een waterval.

Al het zonlicht van wel zeventien lentedagen
zat geconcentreerd in een half pak perziken
zonder pit. Dat was oké. Alles voor de rest ook.

Obligate vormen en draaisels en die kant in
en blabla uit en symmetrie die niet klopt
of wel maar hoe dan en kankerwaus
wat doen die echte kleuren hier?

Liefde.

Toen ik weer wist hoe je je blaas moet legen
deed ik dat per ongeluk gewoon op het toilet.

( )

Aan haken en ogen heb ik veel te danken.
Wat je als kind niet zag, was er niet of wanneer
je je handen als kamerscherm gebruikte – alles weg.

Zo zou het moeten zijn: een trein rijdt dwars
door een trein, niemand keek, geen overledenen.
Niemand gewond. Mijn ogen hoefden niet gesloten –
de hoogste duikplank stond aan mijn voeten.

Het einde als dat van de wereld en ik hoefde niets
maar mocht er helemaal alleen naar toegelopen
af. Een vrouw zei dat ik minder huilde met mijn rug
naar het licht. Nu ik dat zelf ook weet

krijgen anderen van mij gratis uitzicht. Op blinde muren
uit kroegen naar meisjesbenen, vanaf het dakterras
over de stad. Er zijn mensen die me erop wijzen
als ze denken dat ik het vergat. Ze weten niets

over brillen en zwijgen. De schemer of nacht.

En als ik dan om een Chinees te zijn een elastiekje wond
rond mijn hoofd en een raar accent opzette, wisten zij:
dat hoort erbij. Zo is zijn zijn. Even prettig, ietwat
gestoord. Ik bleef denken dat ik, want ik dacht, bestond.

Een stem vanuit een andere kamer zegt tegen een kind

Een stem vanuit een andere kamer zegt tegen een kind
in het lichaam van een man van veertig dat houden van
niet gratis is en helemaal bij jezelf begint.
Het klinkt alsof het de man niet kan bekoren.

Hij schreeuwt iets over stemmen die hij niet wil horen
en dat dokters buitenaardse wezens zijn. Ik lig stil
in de houding die ik me toesta te hebben aangenomen
in een bed dat ruikt naar ziekenhuis. Ik ben thuis.

In een zelfhulpboek stond dat wie tegen de stroom
in zwemt, vanzelf een zalm wordt die ten prooi zal vallen
aan een hongerige beer.
Ik vind van niet.

De verpleegster wijst me er nog één keer op:
dit is geen discussie. Het laatste woord nemende
zeg ik dat binnen mijn persoonlijke ruimte
een meisje mag schuilen, wonen, huilen en blijven.

Op aarde weet ik dat de plek die ik mijn lichaam noem
de juiste locatie is om onvervalst bescheiden te blijven
als ik zeg dat ik niet bestaan kan zonder haar ogen.
Alleen tegen haar zeg ik welkom. De deur staat altijd open.

De juiste woorden – ft. Jelmer van Lenteren (Robin Haijes)

@robinhaijes made this amazing song inspired by a poem I wrote.

De juiste woorden

We zijn zomaar ergens, ergens waar het warm is
en waar het licht naar binnen schijnt. Zij draagt de taal
als een hoed en wordt er chiquer van.

Ze praat over de mooiste koetjes en de liefste kalfjes
met een accent dat als een blote jurk om haar lichaam hangt.

Wat ze niet zeggen durft, verdwijnt in haar decolleté.
Dan zucht ze een ketting rond
haar nek.

Ze zegt iets intelligents als: een mooie man hebben
is niet vereist, maar strekt tot aanbeveling.
Dat wat ze zegt verwordt tot wollen sjaal.

Ze stapt rond in haar versprekingen als op hoge, zwarte hakken
op een witte vloer. Ik zie haar schone ondergoed
als ik haar later die avond de mond snoer.

Een setje juiste woorden.

Back to Top