De beste activissers

De beste activissers staan aan wal.
Zorg wel dat je niet tussen het slib tongt.
Gezongen liederen zijn beter dan abrupt
afgebroken gezang in kerken. Leugens

schreeuwen om een eerlijke abortuswet.
Het is niet beter, er is geen groener gras :
ook scientology verdient een vraagteken
of tweeduizend. Jaren zijn alleen leuk

als ze bewogen waren op een schurende
geen fatale manier. 2033 moet nog komen
en al was Jezus vast geen visser (kut-Van Veen)
er zal wel iets gebeuren in de vieringstrant.

Het deert zovelen niet. De renaissance was mooi
als het gaat over die van de islam. Joods zijn
is zo menselijk als ieder mens’ leven: je krijgt het
van je moeder. Wie daar iets naars in hoort, kijkt

mijns inziens niet per se de juiste kant op. Hé!
Daar gaat een bom af, er komt nog meer ellende
van. God, wat hoop ik op een jaar zonder aanslag.
Het vliegverkeer voor passagiers wist ’t in 2017

droog te houden. Dat werd potdomme wel tijd
en toch, je weet het niet, wie weet het ooit? Nu
is straks nog straks, straks is nu daarjuist.
Goed, kwaad, God bestaat! (M’n oor suist.)

Bed voor Berry

Als bedden iets hadden om over te praten, te delen
met de mensen of elkaar dan zou wat hier volgt
niet gelogen zijn, berusten op volkomen waar.

Gebeurt dat niet, dan nog is het verhaal dat komt
de moeite waard om mee te delen. Als in: aan jou.

Niemand reserveert een tafel voor twee en beantwoordt
de vraag ‘u bent alleen?’ met ‘ik deel alles, mijn bed
en diners met een verhaal, niet alleen dus nee’.

In een wirwar van herkenning, teruggevallen engelen
rook en dronk, een schokkend, onverstaanbaar vragen
naar het onverklaarbare waarom, kwam een beeld voorbij
dat zich vast heeft geklampt: zweten, doorweekt als een otter.

Oplossing? Een tweede nest. Van zeiknat naar droog naar negen
uur aanwezig op het werk. Dan in omgekeerde volgorde
hetzelfde ritueel. Menopauze, jaar of zes.

Daar nu uit. Al komt na regen vaak meer regen, is windtegen weliswaar
aan welke kant je op wilt onderhevig, geregeld is het bekant
een mensenleven lang een mens doorlopend vaker niet dan wel gegund.

Dus nu ligt op ons matras een vrouw die laatst zo optimistisch was.

Zoals valium gegeven nu even en alles wat kalmeert gezegd is
en herhaald, beloftes gemaakt, zo kan een hoopje van het wenen
bevend lichaam en verdriet gedegen rekenen op ons.

Onzin als de tijd en zijn helen dat wat we willen en weten komt
met geduld – dat mag zich laten hekelen.

Niet graag verkoopt wie zijn leven hoopt te beteren een centje leugen
in de hoop op hoop. Beter loopt wie zoveel zeker weet dat het eng is
te beleven met dat hij voorspellen kan niet naast zijn schoenen weg.

Tot in een wirwar van klaarte, geleerd van zijn fouten, hij
die dat niet in het volste vertrouwen doet uitspreken kan
‘het komt oprecht, écht goed!’

Mitch Henriquez

(naar Martinus Benders)

Er vonden veel van niet, velen juist van wel.
Onwel of niet, de rechter had vier keer water nodig
om zijn laffe, gespannen, haast hoopvolle vonnis
door zijn strot te krijgen. De strot, als thema in dezen

al zo hot. Waar Du Pon het nodig vond te spreken
alsof het tegen een klas peuters was, wij voelden ons
Jippen en Jannekes, de kort gefilmde officieren
van justitie leken hond Takkie en poes Siepie.

Sterk theater, veel gebakken lucht, weinig raak:
Du Pon wist gebeurtenis, gevolgen en meer
zeker drie keer te benoemen. Het falen?

Niet in zijn verschillende verhalen, misschien
in het vonnis zelf nog niet per se. De beraadslaging?

Daar kunnen we niks mee. Ik moet bekennen:

Jan Willem is een zeer bedreven en ervaren oplichter.
Hij deed de goede luisteraar denken, geloven, weten
dat het goed zou komen. Noemde dan heel even
de bijzondere omstandigheden. Een keer of twee.

Dat was voldoende. Een agent kan schuldig zijn
en zelfs bevonden worden aan ernstige mishandeling
met de dood als gevolg. Van samenwerking tussen DH2

en DH1 was sprake, aldus Du Pon. Medeplichtigheid
en reden voor straf. Maar dan… hoe laf? De straf?

Een half jaar voorwaardelijk met proeftijd.
Slechts een jaar. Ook wij hebben een eis:

De gifbeker voor ons lieve wijf Justitia.
Dat hij nooit zou eindigen, de strijd
dat leek ons meer dan logisch.

En toch, hoe jammer is het, hoe pijnlijk
hoe ziek ook dat ons rechtssysteem
zich met dit vonnis niet alleen heeft
onderuitgehaald.

We zitten in zijn kielzog. Bij dezen
verklaar ik op hoogstpersoonlijke titel
aan De Rechtspraak de oorlog.

Denkend aan drive-throughs

Denkend aan drive-throughs
zie ik lelijke auto’s
graag langs bedrieglijk
koopwaar staan,
rijen verachtbaar
vuile colonnes
de uitstoot potsierlijk
hun ruimte uitslaan;
en in de vertrappende
krapte verdrongen
de huizenrijen
geen ruimte, geen rand
stroomgroepen, oorden
geslepen krabbers,
gassen en wolken
in een doods verband.
De smog hangt er laag
en de zon wordt vandaag
door grauwe grijskleurige
lampen verjaagd.
Zie aan, het verpesten
van al eens ons zo lief was –
men vraagt eeuwige rampen
maar smeekt ongehoord.

de schrijver haalt de dichter door

Tijdelijke Toon over (o.a.) mij

de schrijver haalt de dichter door
op het snijpunt, stevig pijnlijk
zodat hij die daarvoor dichter was
tussen de lijnen kan verdwijnen

opgerold een rijm van 5, eerst fijn
en daarna kleiner, dan snijdt hij lijntjes
van zijn eigen lijf, klein
verdwijnt er weinig

zo is er elke keer weer minder spijt
als hij de dichter ziet verschijnen
zo is er elke keer weer minder tijd
tussen parallelle lijnen

zo is er elke keer weer minder hij
altijd één lijn fijner, zo is hij
elke keer weer dichterbij
het eindpunt en het einde

Mijn dierbare vriend Tijdelijke Toon zei eens – na daarvoor te hebben gezegd van wel – dat hij dit niet per se over mij had geschreven. Mij maakt het niet veel uit, het gaat voor mij heus niet alleen over mij. Maar ook over Deelder, wellicht zelfs over Sartre (al was dat wel een pussy met z’n autistisch, afgewogen 200mg per dag) en over hoe dan ook nog wel meer snotgenoten. Toch hoop ik aan het ont- en bestaan van dit dit prachtige vers heb bijgedragen door… ach.. 

Het is nog behoorlijk vrij vandaag

Het is vroeg, ik ben op straat, heb toen ik wakker werd besloten: er wordt deze dag een wandeling gemaakt. Mijn slechtste camera op zak, mijn goede moed niet thuis gelaten.
Alleen mijn liefje laten liggen. Uit respect voor haar rust en onze liefde weliswaar.

Ik heb nog geen foto genomen of een man houdt me staande. Hij in pak, ik alleen het hoogstnoodzakelijke aan; dit wordt lachen.

Maar mijn God, zeg! Hij maakt zowaar geen blunder, vraagt niet direct naar de bekende weg of dat elk gesprek verwoestend ‘hoe het met me gaat’ – hij valt wel meteen met deur en al in huis, begint over de toekomst. Hoe ik die zie?

Meestal liever niet.

Niet lang daarna, maar langer dan ik van mezelf gewend ben schudden we mekaar de hand. Hij heeft mij geleerd dat schelden heus niet altijd hoeft en ik hem, geloof of hoop ik toch, daar op dat bankje waar hij plaatsneemt nu aan het denken gezet over Vrije Wil.

Ik heb gezegd dat als die ongein niet bestond we ook niet zouden hoeven kiezen tussen goed en kwaad, laat staan ondankbaar hoefden doen wanneer het zoals altijd anders en ook weer nooit voldoende anders gaat.

Dat God het dan een stuk volmaakter had gedaan.

Of het nu leuk was samen –

Of het nu leuk was samen –
we reden indertijd naar Vlaanderen.
Maar ook in België bestond eenrichtingsverkeer.

Ik had met jou eenrichtingsverkering.
Ik hield van jou en jij
hield ook van jou.

’t Was een simpele relatie zo.
Ik streelde jou, of jij streelde
jou en ik mocht kijken.

We vonden je zo lief.

We konden zo genieten
van jouw verhalen. Jij vertelde
En we luisterden met z’n beiden.

Er vielen zelfden stiltes.
Maar als ze vielen
zei ik snel ik hou van jou!

En jij zei dan: ja joh, stil nou maar
dat weet ik wel.

Back to Top