U kwam voor in mijn droom vannacht

Het is zo gruwelijk irritant en vermoeiend
om te melden dat het echt oké is, écht echt
oprecht, niks te vrezen, gooi het eruit, spreek –
geen gemaar, zonder meer, openlijk, remmen los.

Een foto van een donker horrorbos met de woorden
dat samenzijn (daar) zo geweldig moet wezen.
Vrezen voor het keren dat al keren onvermijdelijk
gebleken is, herhaald bleef worden. Het is zo gruwelijk

(…)

Poëzie is muziek, muziek is poëzie. Bladpoëzie!
Herhalingen niet uit hoeven schrijven en toch het effect
dankzij tekens, desnoods geleend van de muziek.
Termen termen laten zijn, zonder de stijl.

Raamvertelling zonder kader. Reeksen gewoon cycli
zonder overbodig opsommen, nummeren, alfabet.
Thematisch gewoon het thema neergezet. Onderwerp
wel helder. Open voor de interpretatie van een dirigent.

Al mijn goede intenties op een rijtje gezet, armen open
standby om te worden gesloten, niet rond een lichaam
hoogstwaarschijnlijk tegen het eigen. Spreek toch
horen en durven, dan dat keerpunt als donderslag

bij diepgrijze hemel nog om de trappen na te krijgen
uit de hoeken die niet konden worden belicht
vanwege te druk met het monitoren van wat nu
de bescherming verliest. Als een kind dat niest

voor de allereerste keer, of het zich realiseert
en er niet van schrikt, wat de ouders ongerust maakt.
Zo naakt in een wirwar van wil, spinrag, kracht
tot ver voorbij de kramp bijhouden. De nacht

als zwartregel één streep, ’s ochtends één regel
zes woorden, mooi verhaal. Dertig keer gelezen
gegroeid van goed, via beter naar het beste
met als kanttekening nog éénmaal het begin

graag, want hoe waar, zwaar, donker, horror
nachtmerrie, levenservaren ook, man met gevoel
voor gevoel heeft een maag die zich om kan draaien.
Hoezeer ook de pijn van het zwaard het waard is

hoe weinig dit moet klinken als zwaaien, des te meer
komt binnen hoe afscheid nemen in het Vlaams klinkt
als /daag/ en waar prinsessen zwarte jurken dragen
ondergaat het sprookje zelf het sprookje, is de man

met de hamer de man met de zaag. Tovert niets ook
maar het geringste weg, blijft de olifant thuis, blaast
de trompettist The Last Post en is de hoop er enkel
omdat het herdenken tot in den treure wordt herhaald.

In de ochtend

In de ochtend een koffiepot voor de wekker
zal gaan, sta ik op. De kus haalt je uit een droom
die fijn is en doet je terugvallen in een nachtmerrie.

De plaat die ik draai houdt je in bed. Eruitgekomen
moet je dat bekopen met wat ik heb gezet:
te slappe drap. Andere muziek baat niet.

Driemaal geen scheepsrecht, maakt niks scheefs
recht, dus ga je schuiner dan gewenst. Timing
en smaak en lot en toeval en ik zijn slecht.

Het is niet wat je zegt. Het is geen verwijt
en ik incasseer het wegens jouw gebrek aan tijd
maar deze morgen is een file van teleurstellingen.

Het is niet erg, laat ik je horen wanneer ik je zeg
dat het niet erg is en beloof te bellen als ook ik
het niet meer trek. Geloofwaardig, je bent weg.

Blik op de teloorgang

Daar ik met droge ogen aan kan zien hoe ik blind word
schreeuw ik als een ongehoorde gek in mijn woestijn.

Waar droogte normaal is, gebiedt de eerlijkheid
dat wat wie observeert wel weten kan te melden:
vocht en zicht zijn geen communicerende vaten.

Gelaten tranen vragen om een pink. Voordeel
bij dit nadeel is dat kleurenblind klinkt als oefenen.

Vinger aangeboden, hand genomen en verder
kan ik het wel schudden. Poolshoogte is onnodig
zolang ik een pols heb. Zolang het klopt, blijf ik binnen.

Het wordt waziger te raden wat zich op ooghoogte bevindt
en vager duidelijk te maken hoe ik anders was als kind.

Gemakkelijk de vrager een oogje in het zeil te houden
uit te leggen dat waar mogelijk en nodig ik er twee heb
om te schenken, ze niet terug hoeven worden te geven.

Het echter van belang is te beseffen dat verwachtingen
zullen leiden tot teleurstelling. Dobbelsteenhard.

Een toekomstperspectief dat niet per definitie lief is
hoeft nog niet het einde in zicht op te doen doemen
hoewel het lastig wordt het tunnellicht te zien.

Zorgen voor later dat allang begonnen is; door de vingers
hoeft niet meer. Niks knijp ik nog weg.

Met het zwart in de knip ben ik erbij als een kip.
Normaal gezien vallen dood en blind zijn samen.
Dit is mijn bericht: kijk, ik ben te vroeg gedicht.

Stilstand is vooruitgang

De tijd is mijn lichaam nu. Hier rekt het zich uit
als na een korte meditatie: langer kan het niet.
In die houding sta ik stil.

Pezen trekken, slierten kauwgum vlak
voor ze loslaten. Spieren spannen zich aan
lappen momentum aan hun laars. Botten
kraken en elk gewricht in mij kent zijn taken.

Zo moet dit straks nu eenmaal zijn gegaan –
niet gapen, van slag raken, me dik maken –
dan pas is daarstraks niet helemaal voor niets
geweest wat het was, waar de waarheid lag.

Het laatste wat ik nastreef is gemiddelden
of toegeven hoe alomvattend ik faal, laat staan
beseffen dat het is als met de analyse van proza.

De tijd die mijn lichaam is geworden deel ik niet op
in leeftijd en geleefde tijd zodat de logica leidt
tot een getal en abnormaal onleesbaar boek
dat geen hond koopt, de ramsj overslaat

en opgestapeld eindigt in de kruipruimte
van het verhaal. Daar zal het zich vergeten
weten, tot zelfs dat is vergaan. Ontspannen
zie ik de nutteloosheid van mezelf beslaan.

Anarchistische verzen

(een louter adviserend manifest)

er zijn géén regels
veel witregels
enkel kleinkapitaal
geen interpunctie geen punt
regelafbrekingen toegestaan
afbraak van de macht gewenst
zwart-witverdeling 50/50
kleurgebruik onnodig
maak van je bladspiegel een chaos
verbeeld het onverbeeldbare
schuw de massa
wees gratis
blijf hard
neem deel
geef alles
solidariteitsbesef is liefde
links krijgt altijd voorrang
kraakhelder taalgebruik is leuk
hermetisch gehannes evenzo
kom binnen als een bom
sla open als een opgestoken vuist
besluit nooit wat

De beste activissers

De beste activissers staan aan wal.
Zorg wel dat je niet tussen het slib tongt.
Gezongen liederen zijn beter dan abrupt
afgebroken gezang in kerken. Leugens

schreeuwen om een eerlijke abortuswet.
Het is niet beter, er is geen groener gras :
ook scientology verdient een vraagteken
of tweeduizend. Jaren zijn alleen leuk

als ze bewogen waren op een schurende
geen fatale manier. 2033 moet nog komen
en al was Jezus vast geen visser (kut-Van Veen)
er zal wel iets gebeuren in de vieringstrant.

Het deert zovelen niet. De renaissance was mooi
als het gaat over die van de islam. Joods zijn
is zo menselijk als ieder mens’ leven: je krijgt het
van je moeder. Wie daar iets naars in hoort, kijkt

mijns inziens niet per se de juiste kant op. Hé!
Daar gaat een bom af, er komt nog meer ellende
van. God, wat hoop ik op een jaar zonder aanslag.
Het vliegverkeer voor passagiers wist ’t in 2017

droog te houden. Dat werd potdomme wel tijd
en toch, je weet het niet, wie weet het ooit? Nu
is straks nog straks, straks is nu daarjuist.
Goed, kwaad, God bestaat! (M’n oor suist.)

Bed voor Berry

Als bedden iets hadden om over te praten, te delen
met de mensen of elkaar dan zou wat hier volgt
niet gelogen zijn, berusten op volkomen waar.

Gebeurt dat niet, dan nog is het verhaal dat komt
de moeite waard om mee te delen. Als in: aan jou.

Niemand reserveert een tafel voor twee en beantwoordt
de vraag ‘u bent alleen?’ met ‘ik deel alles, mijn bed
en diners met een verhaal, niet alleen dus nee’.

In een wirwar van herkenning, teruggevallen engelen
rook en dronk, een schokkend, onverstaanbaar vragen
naar het onverklaarbare waarom, kwam een beeld voorbij
dat zich vast heeft geklampt: zweten, doorweekt als een otter.

Oplossing? Een tweede nest. Van zeiknat naar droog naar negen
uur aanwezig op het werk. Dan in omgekeerde volgorde
hetzelfde ritueel. Menopauze, jaar of zes.

Daar nu uit. Al komt na regen vaak meer regen, is windtegen weliswaar
aan welke kant je op wilt onderhevig, geregeld is het bekant
een mensenleven lang een mens doorlopend vaker niet dan wel gegund.

Dus nu ligt op ons matras een vrouw die laatst zo optimistisch was.

Zoals valium gegeven nu even en alles wat kalmeert gezegd is
en herhaald, beloftes gemaakt, zo kan een hoopje van het wenen
bevend lichaam en verdriet gedegen rekenen op ons.

Onzin als de tijd en zijn helen dat wat we willen en weten komt
met geduld – dat mag zich laten hekelen.

Niet graag verkoopt wie zijn leven hoopt te beteren een centje leugen
in de hoop op hoop. Beter loopt wie zoveel zeker weet dat het eng is
te beleven met dat hij voorspellen kan niet naast zijn schoenen weg.

Tot in een wirwar van klaarte, geleerd van zijn fouten, hij
die dat niet in het volste vertrouwen doet uitspreken kan
‘het komt oprecht, écht goed!’

Mitch Henriquez

(naar Martinus Benders)

Er vonden veel van niet, velen juist van wel.
Onwel of niet, de rechter had vier keer water nodig
om zijn laffe, gespannen, haast hoopvolle vonnis
door zijn strot te krijgen. De strot, als thema in dezen

al zo hot. Waar Du Pon het nodig vond te spreken
alsof het tegen een klas peuters was, wij voelden ons
Jippen en Jannekes, de kort gefilmde officieren
van justitie leken hond Takkie en poes Siepie.

Sterk theater, veel gebakken lucht, weinig raak:
Du Pon wist gebeurtenis, gevolgen en meer
zeker drie keer te benoemen. Het falen?

Niet in zijn verschillende verhalen, misschien
in het vonnis zelf nog niet per se. De beraadslaging?

Daar kunnen we niks mee. Ik moet bekennen:

Jan Willem is een zeer bedreven en ervaren oplichter.
Hij deed de goede luisteraar denken, geloven, weten
dat het goed zou komen. Noemde dan heel even
de bijzondere omstandigheden. Een keer of twee.

Dat was voldoende. Een agent kan schuldig zijn
en zelfs bevonden worden aan ernstige mishandeling
met de dood als gevolg. Van samenwerking tussen DH2

en DH1 was sprake, aldus Du Pon. Medeplichtigheid
en reden voor straf. Maar dan… hoe laf? De straf?

Een half jaar voorwaardelijk met proeftijd.
Slechts een jaar. Ook wij hebben een eis:

De gifbeker voor ons lieve wijf Justitia.
Dat hij nooit zou eindigen, de strijd
dat leek ons meer dan logisch.

En toch, hoe jammer is het, hoe pijnlijk
hoe ziek ook dat ons rechtssysteem
zich met dit vonnis niet alleen heeft
onderuitgehaald.

We zitten in zijn kielzog. Bij dezen
verklaar ik op hoogstpersoonlijke titel
aan De Rechtspraak de oorlog.

Denkend aan drive-throughs

Denkend aan drive-throughs
zie ik lelijke auto’s
graag langs bedrieglijk
koopwaar staan,
rijen verachtbaar
vuile colonnes
de uitstoot potsierlijk
hun ruimte uitslaan;
en in de vertrappende
krapte verdrongen
de huizenrijen
geen ruimte, geen rand
stroomgroepen, oorden
geslepen krabbers,
gassen en wolken
in een doods verband.
De smog hangt er laag
en de zon wordt vandaag
door grauwe grijskleurige
lampen verjaagd.
Zie aan, het verpesten
van al eens ons zo lief was –
men vraagt eeuwige rampen
maar smeekt ongehoord.

Back to Top