Uit je vel

‘Niet te verzoenen is het leven.
Ten einde is dit wellicht nog ’t meest:’

Het is heel secuur met seconden omgaan in een wereld waar een groep van zestig meer zijn geworden dan een doodgewone minuut. Het is de limiet, de max. Voor velen ver voorbij acceptabel en voor nog weer een groot aantal verreweg te lang. Aandacht vervliegt, stijgt op, verdampt, zakt met de moed mee in de schoenen, door de grond, vlucht, schuilt, vervreemdt van al wat het eens was en raakt geheel existentieel aan wat het eens zelf was, maar met een gracht, een kloof ertussen. Niet te overbruggen.

Echter, wees niet bang! Zolang as tot as vergaan zal en stof onherroepelijk stof zal blijven worden, is er tussen elk geluid precies de juiste stilte. Slaat de klok je erdoorheen. Neemt de zon je mee. Legt de maan je aan de oceanen uit. Leert wat levenloos is hoe je blijven kan.

Tijd is het construct dat lijkt te zijn ontstaan ter obstructie van waar voorheen tot ver voorbij oneindig meer van was: leegte. Tijd, tot erin gemeten, het geweten werd, voor het overwoekerde als maatstaf, machtsmiddel voor en leidde tot straf. Tijd is de weg kwijt. Bloem schreef over het niet te verzoenen leven. Stelde: dit is ten einde wellicht nog ’t meest

‘Te kunnen zeggen: het is even
Tussen twee stilten luid geweest’

Het is een wonder dat wonderen nog steeds bestaan. Niks wordt je opgedragen, rechten en plichten schieten aan hun doel voorbij. En als het gewoon kon stoppen, maar dat kan het niet. Of wanneer het langer duren mag en altijd, plagerig, halt houdt.

Neem een glas, snaren, zang, vel. Doe niets. Blijf jong en warm. Oud komt vanzelf en koud volgt automatisch.

Zonden

Vier mensen aan een eettafel. De ouders net uitgekibbeld
over wie van de twee nu juist de alcoholist is. Mijn anker:
jij. De onheilige zoon: ikzelf. Net verteld van vroeger
zonder veel verbazing, stuiten op ongeloof of steun.

Gewoon te horen krijgen dat zij ‘altijd al wist
dat het een pedo was’. Hij die jou nadoet – een hand
op de mijne. Zwijgen tot het wel weer goed geweest is.
Tijd voor het toetje. Als heimwee naar tijden bestonden

zou ik hem opnieuw willen horen verzuchten dat ik, aléén ik
zijn zoon kan zijn na de St. Pietersbasiliek uitgetrapt te zijn
na het roepen van PORCO DIO daar waar het het mooiste galmde.

Een Swastika maken in Tate Modern omdat de Japanse kunstenaar
De Zon gemaakt heeft met een halve bal van licht, het plafond
een spiegel. Eruit worden gemaand, ‘for son, we’re not political.’

Ik ben niet politiek. Ik ben een freak voor muziek en dat erfde ik
van hem, mijn vader die vroeg: wat wil je liever: The Beatles

of als je me een goede reden geeft een andere elpee. Hoe ik nee
zei tegen The Beatles met als reden: de radio draait ze al

de hele dag. Of Wish You Were Here van Pink Floyd alsjeblieft op mag.

Ik ben vijf, hij zo trots als een aap. De vraag: wie heeft waar verzaakt?

Het hertje van de Dam

Achteraf kkopt van wat ik zei een klein gedeelte
slechts. Mijn hart doet het nog. Twee kamers
meestal een regelmatige pols. Ziektebeelden –
aandoeningen uitsluiten heeft me dat geleerd.
Hotel OLVG. Ik heb gelogen tot ver na onze eerste
keer. Opgebiecht, voor het eerst. Ontmaagding
van al het vlies waar ik overheen of tegen blies.
Nu hier, nog geen jaar later, op een bureau
van deur en kast, weet ik wat aan jou
mij het meeste heeft gekrast: ikzelf.

Gooide ik m’n glazen in, liep ik een lichte
hersenschudding op, brak ik mijn bril
viel alles onder de garantie. En zie: de Z
in mijn nek. Ik ging op mijn plaat
en jij raakte maar niet uit opgeraakt.
Oprispingen als ‘het is beter dat ik je laat’
kreeg terecht de stempel ‘het is “ik ben bang”
wat je daar zegt!’ Dus nu, geheel verdiend en zo
waar als ik mij maken kan, bedank ik haar
die nooit tussen ons beiden kwam.
Rest me te zwijgen: je kunt ’t beste krijgen.

Pacht

De vrouw die ik liever meisje noem, heet voor het gemak
mama. Dat is vreemd ja. Toch heb ik dat nodig. Zeker even.

Kleine gebaren kunnen je van alles doen bevaren: zeeën
van tijd, golven gelukshormoon, drie decennia na dato
weten: twee keer dertig jaren eenzaamheid, vlagen
van verstandsverbijstering, zonder vlag. Vergeten

dat hoe klein of groot ook, het werkelijke weer
zal keren, als het getij het toelaat wandelingen langer
kunnen worden. De vraag ‘trok zij jou uit de goot?’
komt van een man met handen zo groot, samen
kunnen ze onze vier helemaal omsluiten.

Die heb ik tot nog toe weten te vermijden; ik liep erlangs
of zie haar niet. Dan besloten dat ze mij maar vindt.
Een zeehond ligt dood bij eb, een pallet ernaast
alsof er wegens haast geen ruimen plaats kon vinden.

Het beest toont alles wat ik niet laat zien aan moeder.
Zo ben ik behoeder van wat voor mijn ogen opgezwollen
mijn toekomst ligt te wezen. Het lukt me niet te vrezen.

Er is veel opsmuk, namaak, kopieergedrag, nasmaak
als ik opruk, dat wat ik al weet leer, doe wat niet mag.
Er is pracht die ik gepacht heb voor dit hier, dit nu.
Als ik haar bel staat er thuis achter mijn naam.

Zo vond ik in een sprookje onderdak. Tot met het gedag
en een illusie helderder voor ogen ik alsof verdrinkend
in drijfzand, zwaaiend naar het felle niks, verkeerde
overkant, het leven noodgedwongen heroppak.

Tweede zomer

Derde eiland. En het is niet dat het beter is
maar zekerder, op een twijfelachtige manier.
De stem gevonden, zen gezegd, de boel benoemd.
Beroemd gevoeld, berucht bevonden. Lucht is zee

bovenste onder. Dijk is rave. Polder is slapen
aanhangwagens de zolder. Wildgang
op roosters. De maakbaarheid verstoten.

Eerste gedicht. Negende pad dan toch
eindelijk bemerkt. Kwestie van zoeken
door te zien, gesloten ogen, veel misschien.
De tunnel is uiteindelijk nog niet in zicht.

Vierde strofe. Wel licht. Drukte in rust opgenomen.
Teruggekomen alles pressie, repressie
geen depressie. Stem gebeld. Genoten, dus geniet.

U kwam voor in mijn droom vannacht

Het is zo gruwelijk irritant en vermoeiend
om te melden dat het echt oké is, écht echt
oprecht, niks te vrezen, gooi het eruit, spreek –
geen gemaar, zonder meer, openlijk, remmen los.

Een foto van een donker horrorbos met de woorden
dat samenzijn (daar) zo geweldig moet wezen.
Vrezen voor het keren dat al keren onvermijdelijk
gebleken is, herhaald bleef worden. Het is zo gruwelijk

(…)

Poëzie is muziek, muziek is poëzie. Bladpoëzie!
Herhalingen niet uit hoeven schrijven en toch het effect
dankzij tekens, desnoods geleend van de muziek.
Termen termen laten zijn, zonder de stijl.

Raamvertelling zonder kader. Reeksen gewoon cycli
zonder overbodig opsommen, nummeren, alfabet.
Thematisch gewoon het thema neergezet. Onderwerp
wel helder. Open voor de interpretatie van een dirigent.

Al mijn goede intenties op een rijtje gezet, armen open
standby om te worden gesloten, niet rond een lichaam
hoogstwaarschijnlijk tegen het eigen. Spreek toch
horen en durven, dan dat keerpunt als donderslag

bij diepgrijze hemel nog om de trappen na te krijgen
uit de hoeken die niet konden worden belicht
vanwege te druk met het monitoren van wat nu
de bescherming verliest. Als een kind dat niest

voor de allereerste keer, of het zich realiseert
en er niet van schrikt, wat de ouders ongerust maakt.
Zo naakt in een wirwar van wil, spinrag, kracht
tot ver voorbij de kramp bijhouden. De nacht

als zwartregel één streep, ’s ochtends één regel
zes woorden, mooi verhaal. Dertig keer gelezen
gegroeid van goed, via beter naar het beste
met als kanttekening nog éénmaal het begin

graag, want hoe waar, zwaar, donker, horror
nachtmerrie, levenservaren ook, man met gevoel
voor gevoel heeft een maag die zich om kan draaien.
Hoezeer ook de pijn van het zwaard het waard is

hoe weinig dit moet klinken als zwaaien, des te meer
komt binnen hoe afscheid nemen in het Vlaams klinkt
als /daag/ en waar prinsessen zwarte jurken dragen
ondergaat het sprookje zelf het sprookje, is de man

met de hamer de man met de zaag. Tovert niets ook
maar het geringste weg, blijft de olifant thuis, blaast
de trompettist The Last Post en is de hoop er enkel
omdat het herdenken tot in den treure wordt herhaald.

In de ochtend

In de ochtend een koffiepot voor de wekker
zal gaan, sta ik op. De kus haalt je uit een droom
die fijn is en doet je terugvallen in een nachtmerrie.

De plaat die ik draai houdt je in bed. Eruitgekomen
moet je dat bekopen met wat ik heb gezet:
te slappe drap. Andere muziek baat niet.

Driemaal geen scheepsrecht, maakt niks scheefs
recht, dus ga je schuiner dan gewenst. Timing
en smaak en lot en toeval en ik zijn slecht.

Het is niet wat je zegt. Het is geen verwijt
en ik incasseer het wegens jouw gebrek aan tijd
maar deze morgen is een file van teleurstellingen.

Het is niet erg, laat ik je horen wanneer ik je zeg
dat het niet erg is en beloof te bellen als ook ik
het niet meer trek. Geloofwaardig, je bent weg.

Blik op de teloorgang

Daar ik met droge ogen aan kan zien hoe ik blind word
schreeuw ik als een ongehoorde gek in mijn woestijn.

Waar droogte normaal is, gebiedt de eerlijkheid
dat wat wie observeert wel weten kan te melden:
vocht en zicht zijn geen communicerende vaten.

Gelaten tranen vragen om een pink. Voordeel
bij dit nadeel is dat kleurenblind klinkt als oefenen.

Vinger aangeboden, hand genomen en verder
kan ik het wel schudden. Poolshoogte is onnodig
zolang ik een pols heb. Zolang het klopt, blijf ik binnen.

Het wordt waziger te raden wat zich op ooghoogte bevindt
en vager duidelijk te maken hoe ik anders was als kind.

Gemakkelijk de vrager een oogje in het zeil te houden
uit te leggen dat waar mogelijk en nodig ik er twee heb
om te schenken, ze niet terug hoeven worden te geven.

Het echter van belang is te beseffen dat verwachtingen
zullen leiden tot teleurstelling. Dobbelsteenhard.

Een toekomstperspectief dat niet per definitie lief is
hoeft nog niet het einde in zicht op te doen doemen
hoewel het lastig wordt het tunnellicht te zien.

Zorgen voor later dat allang begonnen is; door de vingers
hoeft niet meer. Niks knijp ik nog weg.

Met het zwart in de knip ben ik erbij als een kip.
Normaal gezien vallen dood en blind zijn samen.
Dit is mijn bericht: kijk, ik ben te vroeg gedicht.

Stilstand is vooruitgang

De tijd is mijn lichaam nu. Hier rekt het zich uit
als na een korte meditatie: langer kan het niet.
In die houding sta ik stil.

Pezen trekken, slierten kauwgum vlak
voor ze loslaten. Spieren spannen zich aan
lappen momentum aan hun laars. Botten
kraken en elk gewricht in mij kent zijn taken.

Zo moet dit straks nu eenmaal zijn gegaan –
niet gapen, van slag raken, me dik maken –
dan pas is daarstraks niet helemaal voor niets
geweest wat het was, waar de waarheid lag.

Het laatste wat ik nastreef is gemiddelden
of toegeven hoe alomvattend ik faal, laat staan
beseffen dat het is als met de analyse van proza.

De tijd die mijn lichaam is geworden deel ik niet op
in leeftijd en geleefde tijd zodat de logica leidt
tot een getal en abnormaal onleesbaar boek
dat geen hond koopt, de ramsj overslaat

en opgestapeld eindigt in de kruipruimte
van het verhaal. Daar zal het zich vergeten
weten, tot zelfs dat is vergaan. Ontspannen
zie ik de nutteloosheid van mezelf beslaan.

Anarchistische verzen

(een louter adviserend manifest)

er zijn géén regels
veel witregels
enkel kleinkapitaal
geen interpunctie geen punt
regelafbrekingen toegestaan
afbraak van de macht gewenst
zwart-witverdeling 50/50
kleurgebruik onnodig
maak van je bladspiegel een chaos
verbeeld het onverbeeldbare
schuw de massa
wees gratis
blijf hard
neem deel
geef alles
solidariteitsbesef is liefde
links krijgt altijd voorrang
kraakhelder taalgebruik is leuk
hermetisch gehannes evenzo
kom binnen als een bom
sla open als een opgestoken vuist
besluit nooit wat

Back to Top