Het hertje van de Dam

Achteraf kkopt van wat ik zei een klein gedeelte
slechts. Mijn hart doet het nog. Twee kamers
meestal een regelmatige pols. Ziektebeelden –
aandoeningen uitsluiten heeft me dat geleerd.
Hotel OLVG. Ik heb gelogen tot ver na onze eerste
keer. Opgebiecht, voor het eerst. Ontmaagding
van al het vlies waar ik overheen of tegen blies.
Nu hier, nog geen jaar later, op een bureau
van deur en kast, weet ik wat aan jou
mij het meeste heeft gekrast: ikzelf.

Gooide ik m’n glazen in, liep ik een lichte
hersenschudding op, brak ik mijn bril
viel alles onder de garantie. En zie: de Z
in mijn nek. Ik ging op mijn plaat
en jij raakte maar niet uit opgeraakt.
Oprispingen als ‘het is beter dat ik je laat’
kreeg terecht de stempel ‘het is “ik ben bang”
wat je daar zegt!’ Dus nu, geheel verdiend en zo
waar als ik mij maken kan, bedank ik haar
die nooit tussen ons beiden kwam.
Rest me te zwijgen: je kunt ’t beste krijgen.

Pacht

De vrouw die ik liever meisje noem, heet voor het gemak
mama. Dat is vreemd ja. Toch heb ik dat nodig. Zeker even.

Kleine gebaren kunnen je van alles doen bevaren: zeeën
van tijd, golven gelukshormoon, drie decennia na dato
weten: twee keer dertig jaren eenzaamheid, vlagen
van verstandsverbijstering, zonder vlag. Vergeten

dat hoe klein of groot ook, het werkelijke weer
zal keren, als het getij het toelaat wandelingen langer
kunnen worden. De vraag ‘trok zij jou uit de goot?’
komt van een man met handen zo groot, samen
kunnen ze onze vier helemaal omsluiten.

Die heb ik tot nog toe weten te vermijden; ik liep erlangs
of zie haar niet. Dan besloten dat ze mij maar vindt.
Een zeehond ligt dood bij eb, een pallet ernaast
alsof er wegens haast geen ruimen plaats kon vinden.

Het beest toont alles wat ik niet laat zien aan moeder.
Zo ben ik behoeder van wat voor mijn ogen opgezwollen
mijn toekomst ligt te wezen. Het lukt me niet te vrezen.

Er is veel opsmuk, namaak, kopieergedrag, nasmaak
als ik opruk, dat wat ik al weet leer, doe wat niet mag.
Er is pracht die ik gepacht heb voor dit hier, dit nu.
Als ik haar bel staat er thuis achter mijn naam.

Zo vond ik in een sprookje onderdak. Tot met het gedag
en een illusie helderder voor ogen ik alsof verdrinkend
in drijfzand, zwaaiend naar het felle niks, verkeerde
overkant, het leven noodgedwongen heroppak.

Tweede zomer

Derde eiland. En het is niet dat het beter is
maar zekerder, op een twijfelachtige manier.
De stem gevonden, zen gezegd, de boel benoemd.
Beroemd gevoeld, berucht bevonden. Lucht is zee

bovenste onder. Dijk is rave. Polder is slapen
aanhangwagens de zolder. Wildgang
op roosters. De maakbaarheid verstoten.

Eerste gedicht. Negende pad dan toch
eindelijk bemerkt. Kwestie van zoeken
door te zien, gesloten ogen, veel misschien.
De tunnel is uiteindelijk nog niet in zicht.

Vierde strofe. Wel licht. Drukte in rust opgenomen.
Teruggekomen alles pressie, repressie
geen depressie. Stem gebeld. Genoten, dus geniet.

U kwam voor in mijn droom vannacht

Het is zo gruwelijk irritant en vermoeiend
om te melden dat het echt oké is, écht echt
oprecht, niks te vrezen, gooi het eruit, spreek –
geen gemaar, zonder meer, openlijk, remmen los.

Een foto van een donker horrorbos met de woorden
dat samenzijn (daar) zo geweldig moet wezen.
Vrezen voor het keren dat al keren onvermijdelijk
gebleken is, herhaald bleef worden. Het is zo gruwelijk

(…)

Poëzie is muziek, muziek is poëzie. Bladpoëzie!
Herhalingen niet uit hoeven schrijven en toch het effect
dankzij tekens, desnoods geleend van de muziek.
Termen termen laten zijn, zonder de stijl.

Raamvertelling zonder kader. Reeksen gewoon cycli
zonder overbodig opsommen, nummeren, alfabet.
Thematisch gewoon het thema neergezet. Onderwerp
wel helder. Open voor de interpretatie van een dirigent.

Al mijn goede intenties op een rijtje gezet, armen open
standby om te worden gesloten, niet rond een lichaam
hoogstwaarschijnlijk tegen het eigen. Spreek toch
horen en durven, dan dat keerpunt als donderslag

bij diepgrijze hemel nog om de trappen na te krijgen
uit de hoeken die niet konden worden belicht
vanwege te druk met het monitoren van wat nu
de bescherming verliest. Als een kind dat niest

voor de allereerste keer, of het zich realiseert
en er niet van schrikt, wat de ouders ongerust maakt.
Zo naakt in een wirwar van wil, spinrag, kracht
tot ver voorbij de kramp bijhouden. De nacht

als zwartregel één streep, ’s ochtends één regel
zes woorden, mooi verhaal. Dertig keer gelezen
gegroeid van goed, via beter naar het beste
met als kanttekening nog éénmaal het begin

graag, want hoe waar, zwaar, donker, horror
nachtmerrie, levenservaren ook, man met gevoel
voor gevoel heeft een maag die zich om kan draaien.
Hoezeer ook de pijn van het zwaard het waard is

hoe weinig dit moet klinken als zwaaien, des te meer
komt binnen hoe afscheid nemen in het Vlaams klinkt
als /daag/ en waar prinsessen zwarte jurken dragen
ondergaat het sprookje zelf het sprookje, is de man

met de hamer de man met de zaag. Tovert niets ook
maar het geringste weg, blijft de olifant thuis, blaast
de trompettist The Last Post en is de hoop er enkel
omdat het herdenken tot in den treure wordt herhaald.

In de ochtend

In de ochtend een koffiepot voor de wekker
zal gaan, sta ik op. De kus haalt je uit een droom
die fijn is en doet je terugvallen in een nachtmerrie.

De plaat die ik draai houdt je in bed. Eruitgekomen
moet je dat bekopen met wat ik heb gezet:
te slappe drap. Andere muziek baat niet.

Driemaal geen scheepsrecht, maakt niks scheefs
recht, dus ga je schuiner dan gewenst. Timing
en smaak en lot en toeval en ik zijn slecht.

Het is niet wat je zegt. Het is geen verwijt
en ik incasseer het wegens jouw gebrek aan tijd
maar deze morgen is een file van teleurstellingen.

Het is niet erg, laat ik je horen wanneer ik je zeg
dat het niet erg is en beloof te bellen als ook ik
het niet meer trek. Geloofwaardig, je bent weg.

Back to Top