Reisje

Ik droomde dat ik al veertien jaar moest plassen
maar het verschil tussen de zevende versnelling
en het achtste uienschilletje niet in mijn kofferbak had gelegd.
Gelukkig wist Barbapapa daar nog wel een mannetje voor.

Jij was er een waterval.

Al het zonlicht van wel zeventien lentedagen
zat geconcentreerd in een half pak perziken
zonder pit. Dat was oké. Alles voor de rest ook.

Obligate vormen en draaisels en die kant in
en blabla uit en symmetrie die niet klopt
of wel maar hoe dan en kankerwaus
wat doen die echte kleuren hier?

Liefde.

Toen ik weer wist hoe je je blaas moet legen
deed ik dat per ongeluk gewoon op het toilet.

( )

Aan haken en ogen heb ik veel te danken.
Wat je als kind niet zag, was er niet of wanneer
je je handen als kamerscherm gebruikte – alles weg.

Zo zou het moeten zijn: een trein rijdt dwars
door een trein, niemand keek, geen overledenen.
Niemand gewond. Mijn ogen hoefden niet gesloten –
de hoogste duikplank stond aan mijn voeten.

Het einde als dat van de wereld en ik hoefde niets
maar mocht er helemaal alleen naar toegelopen
af. Een vrouw zei dat ik minder huilde met mijn rug
naar het licht. Nu ik dat zelf ook weet

krijgen anderen van mij gratis uitzicht. Op blinde muren
uit kroegen naar meisjesbenen, vanaf het dakterras
over de stad. Er zijn mensen die me erop wijzen
als ze denken dat ik het vergat. Ze weten niets

over brillen en zwijgen. De schemer of nacht.

En als ik dan om een Chinees te zijn een elastiekje wond
rond mijn hoofd en een raar accent opzette, wisten zij:
dat hoort erbij. Zo is zijn zijn. Even prettig, ietwat
gestoord. Ik bleef denken dat ik, want ik dacht, bestond.

Back to Top