Perfectionisme

Wij liggen in de zich door zijn eigen warmte heen
slepende zomer pril te wezen op het heetst van de dag
en leven op het scherpst van de snede; nergens is het gras
zo groen als het hier zijn moet, aan deze oever
in een stad die vooral bestaat uit vroeger.

Als straks de schemer valt, hopen we weer meer
aan de vooravond te staan van wat in de volksmond
voor relatie door moet gaan, maar wij liever niet noemen
bij naam. Nergens klotst het water als het hier doet
nadat een schip traag voorbij gevaren is.

‘Een ijsje?’ vraagt ze. En na veel ge-ja-maar en waar-dan
stem ik in. ‘Wat is een slecht begin?’ denk ik. Vast de helft
verpest. Wij lijden aan gewens. Zijn nooitgenoeglijk ziek.
Het ijsje op. Enig verkleinwoord. Vergroot het tot ijs,
maak die lange ij nu kort. Tot het allemaal ondoenlijk wordt.

Back to Top