Zonden

Vier mensen aan een eettafel. De ouders net uitgekibbeld
over wie van de twee nu juist de alcoholist is. Mijn anker:
jij. De onheilige zoon: ikzelf. Net verteld van vroeger
zonder veel verbazing, stuiten op ongeloof of steun.

Gewoon te horen krijgen dat zij ‘altijd al wist
dat het een pedo was’. Hij die jou nadoet – een hand
op de mijne. Zwijgen tot het wel weer goed geweest is.
Tijd voor het toetje. Als heimwee naar tijden bestonden

zou ik hem opnieuw willen horen verzuchten dat ik, aléén ik
zijn zoon kan zijn na de St. Pietersbasiliek uitgetrapt te zijn
na het roepen van PORCO DIO daar waar het het mooiste galmde.

Een Swastika maken in Tate Modern omdat de Japanse kunstenaar
De Zon gemaakt heeft met een halve bal van licht, het plafond
een spiegel. Eruit worden gemaand, ‘for son, we’re not political.’

Ik ben niet politiek. Ik ben een freak voor muziek en dat erfde ik
van hem, mijn vader die vroeg: wat wil je liever: The Beatles

of als je me een goede reden geeft een andere elpee. Hoe ik nee
zei tegen The Beatles met als reden: de radio draait ze al

de hele dag. Of Wish You Were Here van Pink Floyd alsjeblieft op mag.

Ik ben vijf, hij zo trots als een aap. De vraag: wie heeft waar verzaakt?

Het hertje van de Dam

Achteraf kkopt van wat ik zei een klein gedeelte
slechts. Mijn hart doet het nog. Twee kamers
meestal een regelmatige pols. Ziektebeelden –
aandoeningen uitsluiten heeft me dat geleerd.
Hotel OLVG. Ik heb gelogen tot ver na onze eerste
keer. Opgebiecht, voor het eerst. Ontmaagding
van al het vlies waar ik overheen of tegen blies.
Nu hier, nog geen jaar later, op een bureau
van deur en kast, weet ik wat aan jou
mij het meeste heeft gekrast: ikzelf.

Gooide ik m’n glazen in, liep ik een lichte
hersenschudding op, brak ik mijn bril
viel alles onder de garantie. En zie: de Z
in mijn nek. Ik ging op mijn plaat
en jij raakte maar niet uit opgeraakt.
Oprispingen als ‘het is beter dat ik je laat’
kreeg terecht de stempel ‘het is “ik ben bang”
wat je daar zegt!’ Dus nu, geheel verdiend en zo
waar als ik mij maken kan, bedank ik haar
die nooit tussen ons beiden kwam.
Rest me te zwijgen: je kunt ’t beste krijgen.

Pacht

De vrouw die ik liever meisje noem, heet voor het gemak
mama. Dat is vreemd ja. Toch heb ik dat nodig. Zeker even.

Kleine gebaren kunnen je van alles doen bevaren: zeeën
van tijd, golven gelukshormoon, drie decennia na dato
weten: twee keer dertig jaren eenzaamheid, vlagen
van verstandsverbijstering, zonder vlag. Vergeten

dat hoe klein of groot ook, het werkelijke weer
zal keren, als het getij het toelaat wandelingen langer
kunnen worden. De vraag ‘trok zij jou uit de goot?’
komt van een man met handen zo groot, samen
kunnen ze onze vier helemaal omsluiten.

Die heb ik tot nog toe weten te vermijden; ik liep erlangs
of zie haar niet. Dan besloten dat ze mij maar vindt.
Een zeehond ligt dood bij eb, een pallet ernaast
alsof er wegens haast geen ruimen plaats kon vinden.

Het beest toont alles wat ik niet laat zien aan moeder.
Zo ben ik behoeder van wat voor mijn ogen opgezwollen
mijn toekomst ligt te wezen. Het lukt me niet te vrezen.

Er is veel opsmuk, namaak, kopieergedrag, nasmaak
als ik opruk, dat wat ik al weet leer, doe wat niet mag.
Er is pracht die ik gepacht heb voor dit hier, dit nu.
Als ik haar bel staat er thuis achter mijn naam.

Zo vond ik in een sprookje onderdak. Tot met het gedag
en een illusie helderder voor ogen ik alsof verdrinkend
in drijfzand, zwaaiend naar het felle niks, verkeerde
overkant, het leven noodgedwongen heroppak.

Tweede zomer

Derde eiland. En het is niet dat het beter is
maar zekerder, op een twijfelachtige manier.
De stem gevonden, zen gezegd, de boel benoemd.
Beroemd gevoeld, berucht bevonden. Lucht is zee

bovenste onder. Dijk is rave. Polder is slapen
aanhangwagens de zolder. Wildgang
op roosters. De maakbaarheid verstoten.

Eerste gedicht. Negende pad dan toch
eindelijk bemerkt. Kwestie van zoeken
door te zien, gesloten ogen, veel misschien.
De tunnel is uiteindelijk nog niet in zicht.

Vierde strofe. Wel licht. Drukte in rust opgenomen.
Teruggekomen alles pressie, repressie
geen depressie. Stem gebeld. Genoten, dus geniet.

U kwam voor in mijn droom vannacht

Het is zo gruwelijk irritant en vermoeiend
om te melden dat het echt oké is, écht echt
oprecht, niks te vrezen, gooi het eruit, spreek –
geen gemaar, zonder meer, openlijk, remmen los.

Een foto van een donker horrorbos met de woorden
dat samenzijn (daar) zo geweldig moet wezen.
Vrezen voor het keren dat al keren onvermijdelijk
gebleken is, herhaald bleef worden. Het is zo gruwelijk

(…)

Poëzie is muziek, muziek is poëzie. Bladpoëzie!
Herhalingen niet uit hoeven schrijven en toch het effect
dankzij tekens, desnoods geleend van de muziek.
Termen termen laten zijn, zonder de stijl.

Raamvertelling zonder kader. Reeksen gewoon cycli
zonder overbodig opsommen, nummeren, alfabet.
Thematisch gewoon het thema neergezet. Onderwerp
wel helder. Open voor de interpretatie van een dirigent.

Al mijn goede intenties op een rijtje gezet, armen open
standby om te worden gesloten, niet rond een lichaam
hoogstwaarschijnlijk tegen het eigen. Spreek toch
horen en durven, dan dat keerpunt als donderslag

bij diepgrijze hemel nog om de trappen na te krijgen
uit de hoeken die niet konden worden belicht
vanwege te druk met het monitoren van wat nu
de bescherming verliest. Als een kind dat niest

voor de allereerste keer, of het zich realiseert
en er niet van schrikt, wat de ouders ongerust maakt.
Zo naakt in een wirwar van wil, spinrag, kracht
tot ver voorbij de kramp bijhouden. De nacht

als zwartregel één streep, ’s ochtends één regel
zes woorden, mooi verhaal. Dertig keer gelezen
gegroeid van goed, via beter naar het beste
met als kanttekening nog éénmaal het begin

graag, want hoe waar, zwaar, donker, horror
nachtmerrie, levenservaren ook, man met gevoel
voor gevoel heeft een maag die zich om kan draaien.
Hoezeer ook de pijn van het zwaard het waard is

hoe weinig dit moet klinken als zwaaien, des te meer
komt binnen hoe afscheid nemen in het Vlaams klinkt
als /daag/ en waar prinsessen zwarte jurken dragen
ondergaat het sprookje zelf het sprookje, is de man

met de hamer de man met de zaag. Tovert niets ook
maar het geringste weg, blijft de olifant thuis, blaast
de trompettist The Last Post en is de hoop er enkel
omdat het herdenken tot in den treure wordt herhaald.

In de ochtend

In de ochtend een koffiepot voor de wekker
zal gaan, sta ik op. De kus haalt je uit een droom
die fijn is en doet je terugvallen in een nachtmerrie.

De plaat die ik draai houdt je in bed. Eruitgekomen
moet je dat bekopen met wat ik heb gezet:
te slappe drap. Andere muziek baat niet.

Driemaal geen scheepsrecht, maakt niks scheefs
recht, dus ga je schuiner dan gewenst. Timing
en smaak en lot en toeval en ik zijn slecht.

Het is niet wat je zegt. Het is geen verwijt
en ik incasseer het wegens jouw gebrek aan tijd
maar deze morgen is een file van teleurstellingen.

Het is niet erg, laat ik je horen wanneer ik je zeg
dat het niet erg is en beloof te bellen als ook ik
het niet meer trek. Geloofwaardig, je bent weg.

Blik op de teloorgang

Daar ik met droge ogen aan kan zien hoe ik blind word
schreeuw ik als een ongehoorde gek in mijn woestijn.

Waar droogte normaal is, gebiedt de eerlijkheid
dat wat wie observeert wel weten kan te melden:
vocht en zicht zijn geen communicerende vaten.

Gelaten tranen vragen om een pink. Voordeel
bij dit nadeel is dat kleurenblind klinkt als oefenen.

Vinger aangeboden, hand genomen en verder
kan ik het wel schudden. Poolshoogte is onnodig
zolang ik een pols heb. Zolang het klopt, blijf ik binnen.

Het wordt waziger te raden wat zich op ooghoogte bevindt
en vager duidelijk te maken hoe ik anders was als kind.

Gemakkelijk de vrager een oogje in het zeil te houden
uit te leggen dat waar mogelijk en nodig ik er twee heb
om te schenken, ze niet terug hoeven worden te geven.

Het echter van belang is te beseffen dat verwachtingen
zullen leiden tot teleurstelling. Dobbelsteenhard.

Een toekomstperspectief dat niet per definitie lief is
hoeft nog niet het einde in zicht op te doen doemen
hoewel het lastig wordt het tunnellicht te zien.

Zorgen voor later dat allang begonnen is; door de vingers
hoeft niet meer. Niks knijp ik nog weg.

Met het zwart in de knip ben ik erbij als een kip.
Normaal gezien vallen dood en blind zijn samen.
Dit is mijn bericht: kijk, ik ben te vroeg gedicht.

X

Eén van de eerste dingen die X vertelde was dat ze op haar twaalfde het contact met haar vader verbrak. Tijdens een andere gelegenheid citeerde ze haar moeder:
‘Mensen met een uitkering krijgen veel te veel geld. Ze hebben allemaal een tv en vaak zelfs een auto.’
X zei het niet per sé met haar eens te zijn. Of het verbroken contact met haar vader verband hield met de scheiding van haar ouders, bleef onduidelijk.

X was net een paar weken geleden ‘uit de kast’ gekomen bij haar gehele familie, dus een plotse, op het oog toch heteroseksuele relatie kwam haar bijzonder slecht uit, qua timing.
Dit was voor X afdoende iedereen in het ongewisse te laten over de relatie. Niet voor even of tot het haar uitkwam het er eens met haar moeder, broertje en zusje, en later de rest van wie ze had verteld lesbisch te zijn over te hebben. Nee. X hield de relatie geheim. Tot op de dag van vandaag heeft ze er geen familie- of gezinslid over in vertrouwen genomen.

Aparte gewoontes, dat was op z’n zachtst gezegd wat X erop na hield. Zo maakte ze webcamfoto’s van wanneer ze aan het huilen was – hele series had ze, computermappen vol. Als het op het droog houden aankwam, verloor X het van praktisch iedereen.
Later bleken veel van die tranen verspild vocht, meestal opgewekt en voortvloeiend uit geveinsd verdriet.

Uiteindelijk heeft X nooit een duidelijke of plausibele reden gegeven voor de breuk met haar vader. Enkel dat het niet met mishandeling of erger te maken had, wilde ze erover loslaten wanneer een situatie zich voordeed dat er naar details werd doorgevraagd.
Een vriend van X zei eens:
‘Ze geilt op drama. Eerst creëert ze het, daarna lijkt ze erin te slagen te vergeten dat zij de aanstichter is om vervolgens de gebeten hond te spelen, en te blijven spelen uitentreuren.’
Het zou niemand verbazen moest X als twaalfjarig meisje ook al zo zijn geweest…

In het begin deed X zich voor als zeer zorgzaam type. Ze kookte. Weliswaar alleen maar diepvriesgroenten met rijst of aardappelen. Toch, ze kookte. Voor een vegetariër was echter geen ruimte. Er zat kip in de blikken soep, of balletjes en de door haar van tevoren gevulde borden waren voorzien van gebakken spekjes. Ongevraagd verwerkte ze gehakt door de aardappelpuree. Van respect voor vegetarisch eten was geen sprake.
Eén van de weinige pluspunten aan X was dat ze zelf niet veeleisend was op eet- of drinkgebied. Wat dat weer meer dan opheft, was haar scala aan verwachtingen en niet zelden irreële verlangens van de mensen om haar heen.

X droeg harembroeken, felgekleurde rokken of soms simpele jeans met daarboven witte shirtjes, casual truien en vesten. Van make up hield ze niet. Althans, in het begin. Later moest er vaak dieprode lippenstift worden aangebracht. Op de kritiek dat dat haar gezicht vreselijk bleek maakte, leek ze vooral dankbaar te reageren.
Ze scheerde haar oksel- en schaamhaar niet, omdat dat juist in deze tijd tegendraads was. Met haar dachten heel veel meisjes er zo over. Terecht, natuurlijk. Tegendraads? Mwah.

Jaren later, lang na de relatie gaf ze gehoor aan het verzoek een groot deel van de spullen die ze had gehouden terug te moeten geven. Tijdens het korte bezoek viel vooral haar zwarte, jarenzeventigachtige broekpak op. Bijna chic. Ietwat misplaatst. Afgrijselijk lelijk.
X was ongemakkelijk, stelde zich niet voor, brabbelde wat over de spullen die nat waren geworden en in de kelder hadden gestaan.
Het leek haar allemaal niet snel genoeg afgehandeld te kunnen zijn.

Toen het nog leuk was, of leek, voelde zo je wil, brandde X aan de lopende band wierook, zette continu thee en bepaalde de muziek. Ze werd er onhebbelijk van na twee seconden te horen te krijgen welk liedje of album van welke artiest ze aan had gezet. Voor haar leek muzieksmaak en zeker muziekkennis een competitie.
Een competitie die ze glorieus verloor. Geheel tegen dat wat ze tot voor die tijd gewend was in.

Zelfs tijdens de hele situatie met dat teruggeven van de spullen werd het weer kraakhelder hoeveel X om zichzelf en haar eigen verdriet en zielig gevonden worden gaf; ondanks de toezegging alles terug te geven – naast een door haar nooit aangeraakte platenspeler en een mengpaneel vooral heel veel platen – bleek algauw dat ze evenveel platen gehouden als teruggegeven had.
Er moest nog een afspraak komen. In de mailconversatie daarover viel X melodramatisch en lachwekkend hard door de mand. Niet alleen waren haar e-mails tegenstrijdig met eerdere e-mails of uitspraken in het echt, zelfs binnen haar reacties zaten paradoxale, zichzelf volledig tegensprekende zinnen die vooral gingen over aan de ene kant haar emoties en aan de andere kant haar emoties.

‘X geilt op drama.’

Toen het eindelijk gelukt was haar zover te krijgen dat ze écht alles terug zou geven (op voorwaarde dat ze voorgoed met rust gelaten zou worden en zij eenmaal een tijdstip en locatie zou noemen waarop het moest geschieden of anders was het pech) leek ze niet door te hebben hoe verlossend haar ‘eis’ voor altijd met rust gelaten te worden overkwam.
De tijd en locatie waren de dag na haar toezegging en waren zeer specifiek. Een drugsdeal was er niks bij.

X en haar nieuwe vriendinnetje zwaaiden vanaf de plek waar ze een bijna volle verhuisdoos en een niet eerder teruggegeven, ook gevuld platenkoffertje hadden neergezet.
Op de hoek bij een boom.

Ze maakten zich uit de voeten toen duidelijk werd dat ze waren gezien. Laf, schijnheilig, smerig en onmenselijk was de actie.
Vier woorden die X perfect omschrijven.

Stilstand is vooruitgang

De tijd is mijn lichaam nu. Hier rekt het zich uit
als na een korte meditatie: langer kan het niet.
In die houding sta ik stil.

Pezen trekken, slierten kauwgum vlak
voor ze loslaten. Spieren spannen zich aan
lappen momentum aan hun laars. Botten
kraken en elk gewricht in mij kent zijn taken.

Zo moet dit straks nu eenmaal zijn gegaan –
niet gapen, van slag raken, me dik maken –
dan pas is daarstraks niet helemaal voor niets
geweest wat het was, waar de waarheid lag.

Het laatste wat ik nastreef is gemiddelden
of toegeven hoe alomvattend ik faal, laat staan
beseffen dat het is als met de analyse van proza.

De tijd die mijn lichaam is geworden deel ik niet op
in leeftijd en geleefde tijd zodat de logica leidt
tot een getal en abnormaal onleesbaar boek
dat geen hond koopt, de ramsj overslaat

en opgestapeld eindigt in de kruipruimte
van het verhaal. Daar zal het zich vergeten
weten, tot zelfs dat is vergaan. Ontspannen
zie ik de nutteloosheid van mezelf beslaan.